Vergeefse beloften van gelukkig leven

Zij: een fijngesneden gezicht, smal, de ogen een beetje naar binnen gekeerd. Hij: hoog voorhoofd, verlegen blik, een hand voor de lachende mond. Een edel paar. Op 23 december 1952 werd het in de echt verbonden. Op 20 april 1970 kwam er aan het huwelijk van Paul Celan en Gisèle Celan-Lestrange een einde. Hij verdronk zichzelf in de Seine en zij overleefde hem ruim twee decennia.

Hun briefwisseling, nu gebundeld, bestrijkt die hele huwelijkse periode plus het eraan voorafgaande kennismakingsjaar, en Gisèle opent de correspondentie met een lyrische tederheid: `Ik ben jouw kleine perzikbloesem.' En hij noemt haar `mijn engel'. Alsof van hen beiden niet hij, maar zij de dichter is. Het moet meteen gezegd: zíjn brieven, zeker in 't begin, zijn fantasielozer dan de hare. Wat de verzameling toch lezenswaardig maakt, dat is de spanning tussen haar exaltatie en zijn allengs vervliedende stijfheid.

Gisèle Lestrange kwam uit een aristocratische Franse familie. Een kille familie, maar levend. Paul Celans familie was door de nazi's vermoord. Ergens in Oost-Europa, en ergens in Oost-Europa was Paul Celan als Paul Pessach Antschel geboren. Czernowitz hoorde toen nog bij de Donaumonarchie en Pauls moeder, heel anders dan zijn vader, die de voorkeur gaf aan het Hebreeuws, hield zielsveel van de Oostenrijks-Duitse cultuur. Maar na de shoah vertrouwde Paul het Duitse taalgebied niet meer. Via Boekarest en Wenen vluchtte de voormalige dwangarbeider naar Parijs.

Daar was hij minder dan niemand. Todesfuge was in het verre Boekarest verschenen en zijn latere gedichten, ondanks zijn weerzin tegen het land, gingen naar Duitse uitgevers. Hij dichtte nu eenmaal in het Duits, dat was zijn moedertaal. En zo bleef hij in Parijs jarenlang naamloos, statenloos, werkloos, bezitsloos. Hij woonde in een sjofele hotelkamer en verdiende af en toe iets als fabrieksarbeider of als tolk-vertaler. Wat zag Gisèle in deze armoedzaaier?

In haar eerste aan hem gerichte brief, 11 december 1951, valt ze op zijn schoonheid, zijn oprechtheid en ook een beetje op zijn ongeluk. Zij, het katholieke meisje dat zo vlot door de oorlog heen was gerold, wil het joodse leed van haar vriend begrijpen. Zij, de gewetensvolle kunstenares, wil haar werk door het zijne verdiepen.

Maar vooraleerst is hij voor haar een vreemde en zij ook voor hem: de betekenis van haar achternaam ontgaat hem niet en soms noemt hij haar `juffrouw Zeldzaam'. Veel gelegenheid om bij elkaar te zijn is er sowieso niet. Terwijl Gisèle in haar Parijse atelier gouaches en etsen probeert te maken, zoekt Paul in Duitsland belangstellenden voor zijn gedichten. En daar manifesteert zijn vreemdheid zich in alle hevigheid.

Goebbels

Duitslands vooruitstrevendste schrijversclub, de Gruppe 47, lacht hem uit als hij in mei 1952 aan de Oostzee zijn Todesfuge voordraagt. Een van de leden, geïrriteerd wellicht door Celans weinig laconieke toon, brult dwars door de dichtregels heen: `Mann, der liest wie Goebbels!' Celans magnifieke gedicht over verbrande jodinnen en blakende nazi-liefjes (dein aschenes Haar Sulamith / dein goldenes Haar Margarete) stuit de kritische intellectuelen tegen de borst. Zij kennen elkaar nog van de Wehrmacht; ze gaan met elkaar om als `alte Kameraden' en dat plezier mag niet worden vergald. Paul Celan houdt zich beslist in wanneer hij hen in een brief aan Gisèle `halfbeschaafden, opscheppers en poëziehaters' noemt, en met een dreigement houdt hij zich groot: `Zij die mij niet mogen zullen het op een dag nog berouwen.'

Doet Celan zulke boude uitspraken, dan verontschuldigt hij zich bij Gisèle steeds onmiddellijk. Hij doet z'n best zich aan te passen aan haar tere proza en meer dan eens imiteert hij haar geruststellend-golvende zinnen. En toch pikt Gisèle zijn hardheden er altijd feilloos uit. `Wees niet te streng tegen je vrienden', antwoordt zij hem in 1955 op een brief waarin hij zijn Duitse gastheren veroordeelt om hun lakse politieke houding. Maar zelf is Gisèle Celan-Lestrange ook geen allemansvriend. Een gloeiende hekel heeft zij aan Claire Goll.

De weduwe van de dichter Yvan Goll publiceerde in 1960 een fatale brief. Ze beschuldigde Celan ervan Yvan Goll te hebben geplagieerd; ja, ook de woorden `Schwarze Milch der Frühe' uit de zo persoonlijke Todesfuge zou hij van Yvan hebben gejat. Gerenommeerde kranten namen de beschuldiging klakkeloos over en Paul Celan kon er niets anders in zien dan een campagne om hem, de jood die was blijven leven, alsnog uit te roeien. Gaat het over Claire Goll, dan valt zelfs de zachtmoedige Gisèle giftig uit: `Moge jouw missie deze sloerie en haar infame leugens eindelijk vernietigen!'

Strijdkreet

Maar hoeveel morele steun Gisèle Celan-Lestrange haar man ook geeft, hij raakt toch in een zware crisis. Een journalist schrijft onder de naam R.C. Phelan een lollig stukje getiteld `Besta ik eigenlijk wel?' en meteen vraagt de getroffene zich dat ook af. Om preciezer te zijn: Celan betwijfelt zijn bestaansrecht. Er is maar weinig voor nodig om de schuldgevoelens over het feit dat hij wel overleefde en anderen niet, bij hem aan te wakkeren. Waarom, zo piekert hij, heeft hij zijn moeder niet gered? Waarom is hij zo'n waardeloze zoon? De mensen hebben gelijk: hij màg niet leven! Maar de joden moeten wèl leven: `Leve de joden!', met die strijdkreet besluit hij zijn brieven steeds vaker.

Paul Celan heeft, maar dat weten de artsen dan nog niet, een posttraumatisch stress-syndroom. In 1962 wordt hij opgenomen in een psychiatrische kliniek en dat herhaalt zich in 1965, in 1966, in 1967, in 1969. Men behandelt hem als elke depressieve patiënt: met elektroschocks en slaappillen en injecties. Baten doet het niet. In zijn overgeprikkelde toestand beleeft Celan de reprise van de gruwelijke nazi-tijd – met als enige verschil dat de fysieke liquidatie is vervangen door een psychische. De antifascistische tendenzen die zelfs in Duitsland opkomen passen niet in zijn waarneming. Elk kritisch geluid over zijn gedichten legt hij uit als een poging om hem monddood te maken. Hij breekt met goede vrienden en Gisèle krijgt de beschuldiging van overspel naar haar hoofd geslingerd. Zij kan hem niet meer volgen. Uitgeput schrijft ze hem: `Ik weet dat het met u niet goed gaat, maar met mij gaat het ook niet al te best.'

Niet dat die u-vorm verontrust, want uit wederzijds respect tutoyeren zij elkaar zelden. Maar dat Gisèle haar opmonteringsparolen laat varen, dat is iets nieuws en ongehoords. Samenwonen, in hun Normandische boerderij of in hun Parijse appartement, blijkt een kwelling. Paul verhuist naar een eenkamerwoning, Gisèle vlucht in vakanties en in haar werk. Zoon Eric woont nu eens bij zijn moeder en dan weer in de gezinnen van vriendjes. Van zijn vader krijgt hij hoopvolle brieven: `Mijn zoon, Eric, jij leeft, jij zult leven, je groeit, je zult groeien, je zult een oprechte, moedige man worden, je leert en zult leren, [...] je hebt lief en je zult liefhebben, [...] je zult loyale en eerlijke vrienden hebben, je zult mild en rechtvaardig zijn, je zult religie hebben en die van de anderen respecteren, je zult een goede jood zijn'.

Deze brief, die Celan in een envelop voor zijn vrouw deed, klinkt al een beetje naar afscheid. Alsof de vader weet dat hij geen toekomst heeft en dat hij de toekomst van zijn zoon slechts kan dromen. Ook de gedichten die hij naar Gisèle opstuurt verraden onthechting.

Mich hält hier nichts,

nicht die Nacht der Lebendigen,

nicht die Nacht der Unbändigen,

nicht die Nacht der Vielhändigen.

Aandoenlijk: hij vertaalt ze voor zijn vrouw in het Frans.

De studentenopstand in 1969 geeft hem nog even moed. Maar als hij merkt dat de jongelui die voor een betere wereld vechten, tegen Israël zijn vermoedt hij ook in hùn verzet een antisemitisch complot.

En dan stopt de correspondentie. De lezer blijft met een verward gemoed achter. Twee gelieven die elkaar jarenlang een gelukkig leven beloven waar het nooit van komt: dat stemt melancholiek. Twee gelieven die door de in nachtmerries rondspokende nazi's worden gesloopt: dat maakt kwaad, ja razend. Maar twee gelieven die zich zo inspannen om elkaar ondanks alles te vinden: dat ontroert, dat doet goed, dat verheugt.

Paul Celan – Gisèle Celan-Lestrange: Briefwechsel. Uit het Frans vertaald door Eugen Helmlé. Deel 1 (Die Briefe) 590 blz; deel 2 (Kommentar) 615 blz. Suhrkamp, ƒ213,35 (cassette)