Optisch speelgoed

Het Stedelijk Museum exposeert meer dan honderd werken van graficus Dick Cassée. ,,Niks brave abstractie, hier doet iemand geestig en intelligent verslag van wat hij op z'n omgeving heeft buit gemaakt.''

De grafiek van Dick Cassée (Bloemendaal, 1931) wordt soms wel heel ernstig gestald, net of je iets vrolijks en baldadigs op een fluwelen kussen neerlegt. Het zou hem om pure verhouding gaan, de plaats van de lijnen en vlakken ten opzichte van elkaar. Meestal wordt dan ook nog de nadruk gelegd op z'n techniek. Metaaldruk, blinddruk, droge naald, Cassée beheerst alle mogelijkheden tot in de perfectie. Zo ontstond het beeld van een graficus die alles kan en zich toch alleen om z'n eigen besloten abstracties bekommert.

Dit beeld wordt in het prentenkabinet van het Stedelijk Museum te Amsterdam vergruizeld. Met een overzicht van meer dan honderd werken laat Cassée zien dat het hem om iets heel anders gaat. Niks brave abstractie, hier doet iemand geestig en intelligent verslag van wat hij op z'n omgeving heeft buit gemaakt.

Cassée had uitzonderlijke leermeesters. In het begin van de jaren vijftig kreeg hij op de Akademie voor Kunst en Industrie te Enschede kunstgeschiedenis van Aldo van Eyck. De jonge architect draaide jazzmuziek, liet het werk van Arp en Brancusi zien en las voor uit Ulysses van James Joyce. Hij peperde z'n studenten in dat er geen vast beeld van de werkelijkheid bestaat.

Na de AKI werkte Cassée in de boekenimport en maakte hij illustraties. Hij begon zich in de grafische technieken te verdiepen. In 1961 leerde hij veel bij Stanley Willam Hayter in Parijs. Deze Amerikaan had in z'n Atelier 17 schilders als Tanguy en Miró met de grafiek vertrouwd gemaakt. Hayter was ook bevriend met Samuel Beckett. In 1961 voltooide de Franse Ier Happy Days, het stuk over Winnie die tot haar nek in de grond zit. 't Moet bij Hayter voor Cassée een grootse leertijd zijn geweest, met veel terloops gehoorde verhalen.

In het prentenkabinet merk je niets van een eventuele Parijse invloed. Bij een eerste rondgang zie je vooral wat Cassée op een landschap verovert. Hij reist vaak naar gebergtes in Zuid-Frankrijk, Ierland of Schotland. Die legt hij vast met een aquarel, dikke strepen boven elkaar. Als hij in z'n atelier van dat vergezicht grafiek maakt, wordt 't nog miniemer, net of je door je oogharen naar een gebergte kijkt en alleen de omtrek overhoudt.

Muurtjes, bergwanden, bomen, soms herken je ze nog, al zijn ze bijna geheel in lijnen en vlakken opgegaan. Er komt iets anders vrij, de ruimte tussen de zichtbaarheden in. Bij Cassée wordt de natuur een kom, waar niets in zit. De leegte tussen de bomen en bergen, die verdoezelt hij nooit. Door z'n elegante gevoel voor afstand weet hij precies waar het papier onbetekend moet blijven. Hij laat de ruimte, steeds anders beknot, op ieder blad onder je ogen ontstaan.

Je ziet dat het landschap voor Cassée een uitgangspunt is gebleven, streng in de jaren zestig en zeventig, luchthartiger in de jaren negentig, met titels als Pirnmill en Moss Farm Road Circle. En langzamerhand maakt zich iets uit al die landschappen los. Het deelt zich mee aan de andere voorstellingen, of ook die niet op zichzelf staan, iets begrenzen, maar wat?

Mondriaan schiet je te binnen, de gekleurde vlakken die zich buiten het doek lijken voort te zetten, je kunt een voorval nooit in z'n geheel overzien. Ook Cassée toont soms alleen maar een fragment van een gebeurtenis. De reliëfs van J.J. Schoonhoven, daar denk je ook aan, hoe de tint en de schaduw in z'n witte vakjes, afhankelijk van de lichtval, steeds weer verspringt. Zo dicht komt ook Cassée bij de ruimte, al gebeurt dat met heel andere middelen, een zinkmes, metaal, inkt en papier.

Vijf voorstellingen uit 1967 hebben elk de vorm van een cirkel. 't Is of je een kamer door een kijker bespiedt, heel even denk je aan een plint, een hoek, een paar traptreden. Die eenvoud wordt door een zijlijn onderuitgehaald, of de graficus je geen realistisch succesje gunt. En weer, als bij het landschap, gaat het Cassée eerder om de ruimte tussen de lijnen. Dat wat geen vaste vorm heeft, probeert hij, tegen de klippen op, te vangen.

Elke cirkelscène krijgt iets van een uitgetrokken schoen of een leeg conservenblikje. Je kijkt erin, als je het moet beschrijven begin je over de nerven of etensresten, maar eigenlijk zie je zo goed als niets, met het leer of blik als wand.

De expositie begint in 1960, eerst nog aarzelend figuratief. Al snel komt Cassée erachter dat daar z'n kracht niet ligt. De jaren 1962-63 zijn voor hem van groot belang. Dan ontdekt hij de humor en de erotiek van de meetkunde. Hij laat vlakken door een cirkel stijgen, eerder een still uit een nooit eindigende film, dan een vaststaand beeld. Andere cirkels kantelen, worden in tweeën gesplitst. Bij een paar rechthoeken hoop je op de geruststelling van de symmetrie. Die wordt door Cassée net even verschoven, waardoor je uit de tweelingvorm, die je verwacht, wordt gewipt.

Dit is geen willekeurig spel. Helder en nauwkeurig tast Cassée z'n directe omgeving af, aast hij op een afdruk van plukjes ruimte. Niets voor niets heet een voorstelling uit 1963 Spatiële knoop.

Deze droge naald doet denken aan de bekende kubus van Necker, met de twee mogelijke voorvlakken. Pas onder het kijken krijgt er één de voorkeur. De ruimtelijke knoop van Cassée is verraderlijker. Het platte vlak en de derde dimensie zijn op dit blad zo ingrijpend met elkaar in gevecht dat je geen keusmeer kan maken tussen een rechthoek, een zijwand, een kamer, een veldfles en vele andere mogelijkheden. Elke slotsom wordt door iets anders uitgewist.

Deze voorstelling lijkt uit een kaleidoscoop met van die gekleurde stukjes glas te komen. Je schudt en het beeld is al weer veranderd. Optisch speelgoed, daar doet het werk van Cassée soms aan denken.

Dertien jaar na de Spatiële knoop, in 1976, maakt hij z'n meesterproef. Die heet Karatay. De prent heeft iets van een doolhof, alleen is hier geen uitgang te vinden. Nee, de titel moet een toespeling op een Ierse of Schotse reis zijn. Wat heeft hij in dit onbekende landschap gezien? De lijn heeft meer dan zestig hoeken en wordt op het papier niet onderbroken.

Misschien zijn het valleien en bergpieken. Cassée wordt er niet lyrisch van. Hij is eerder van een diep wantrouwen vervuld. Hoog of laag, geen vlak staat vast. Rakelings scheren de lijnen langs elkaar, om af te breken wat net is ontstaan. Per seconde moet je de ruimte opnieuw indelen.

Spatiële knoop en Karatay, 't zijn uitersten. Daartussen zitten andere leegtes, die doen denken aan wat in je nabije omgeving niet is gevuld. Kijk in een vingerhoed of loop over een brug met geen enkele voorbijganger, strijk met je vinger over een ongebruikte plank in een kast of rijdt 's nachts door een tunnel zonder tegenliggers. De rechte of gebogen lijnen, 't zijn de grenzen om waar niets meer is. Of buk je, daar is het landschap onder de tafel en stoelen, schaduwen, een paar nog net niet opgedroogde waterdruppels, zie hoe de vlakken en dieptes elkaar tegenspreken.

Dit is het grafische gebied van Dick Cassée. Je schiet in de lach, zo grappig zijn de lijnen met elkaar verstrikt. Als een micro-goochelaar laat hij de ruimtes tollen. Af en toe is het of hij z'n lijnen heeft gemorst, niet recht, maar vloeibaar, zo zien ze eruit. Z'n vakmanschap blijft gracieus, hij zeept het je niet in. Dat merk je ook in de Amsterdamse Graanstraat, in Betondorp, de buurt van de gebroeders Van Reve en Johan Cruijff, vlak naast de Oosterbegraafplaats.

Op een aantal plekken, vlakbij een hoek, zie je in de vrije betonstrook een reliëf van Cassée, tussen enkele ramen van de begane grond en de eerste verdieping in. Een paar balken, horizontaal of verticaal en wat blokjes, meer niet. Een enkel ontwerp keert spiegelbeeldig in een andere muur terug. De hele straat verliest z'n zwaarte nu de mooiste ongevulde vlakken op de gevels zijn aangebracht.

Dick Cassée – prenten en aquarellen uit de collectie van het Stedelijk Museum te Amsterdam; aldaar t/m 17 juni.