Monster zonder eigenschappen

Ter gelegenheid van de Maand van het Spannende Boek, die vandaag begint, werd het controversiële debuut `House of Leaves' van de Amerikaan Mark Z. Danielewski vertaald. Wie zich niet laat afschrikken door de uitzinnige vormgeving van de roman, leest zowel een knap in elkaar gestoken thriller als een geestige satire op academische interpreteerzucht.

`Niets wat zonderling is zal de tand des tijds doorstaan' luidde het oordeel van de 18de-eeuwse criticus Samuel Johnson over Laurence Sterne's experimentele roman The Life & Opinions of Tristram Shandy (1759-66). Dr. Johnson had het zoals zo vaak bij het verkeerde eind – de hilarische `autobiografie' van Tristram Shandy geldt nog steeds als een mijlpaal in de literatuurgeschiedenis – maar zijn reactie geeft aan hoe verward sommige lezers moeten zijn geweest door Sterne's gesol met de conventies van de romanschrijfkunst. Een boek dat begon bij de perikelen rondom de conceptie van de verteller, dat 600 pagina's lang nergens naar toe ging, dat een duidelijk einde ontbeerde, dat de brave lezer voor gek zette – zo'n boek moest wel kritiek oproepen. Zeker omdat de schrijver zich ook nog eens te buiten ging aan nooit eerder vertoonde visuele grapjes: een zwarte bladzij (na de dood van een bijfiguur), een grafiekje (om aan te geven hoe de verhaallijn liep), een blanco pagina (als markeringspunt voor een uitgescheurd hoofdstuk), een kronkellijn (om de beweging van iemands wandelstok te benaderen).

We zijn meer dan twee eeuwen verder, we zijn gewend aan de stijloefeningen van James Joyce, de typografische experimenten van Paul van Ostaijen, de vormgoochelingen van de nouveau-romanciers en de Amerikaanse postmodernisten. Toch verschijnen er nog steeds boeken die door hun vorm verwarring stichten en waarvan een vluchtige doorbladering de lezers verdeelt. Vorig jaar waren het er zelfs twee: A Heartbreaking Work of Staggering Genius, de veelbesproken `memoir' van Dave Eggers, en House of Leaves, het debuut van de 34-jarige Californiër Mark Z. Danielewski. Nog voordat deze vuistdikke roman in de Verenigde Staten verscheen, was ze al door cult-koning Bret Easton Ellis in de lucht gestoken als `een fenomenaal debuut [dat] de meeste andere fictie zinloos maakt'; waarna de critici óf Ellis in complimenten probeerden te overtreffen óf Danielewski's `postmoderne griezelverhaal' afdeden als een ten minste voor de helft mislukt spelletje met de lezer. In de Engelse kritieken gebeurde iets vergelijkbaars (The Observer: `eerste romans zijn zelden beter – of raarder', The Daily Telegraph: `een roman die interessanter is om over te praten dan te lezen'); en het zal niet anders zijn in Nederland, nu aan de vooravond van de Maand van het Spannende Boek een bewonderenswaardige vertaling verschenen is onder de titel Het kaartenhuis.

Dat Het kaartenhuis een Amerikaans pak van Sjaalman is, een symfonie (of liever: kakofonie) van verschillende vertelstemmen, blijkt al uit de typografie van het boek. Het begint nog redelijk normaal, met een voorwoord dat geschreven lijkt te zijn op een klassieke typemachine en een tekst die is opgemaakt als een wetenschappelijke dissertatie, inclusief voetnoten die af en toe zelfs enkele bladzijden beslaan. Maar na een bladzijde of honderd wordt het paginabeeld steeds frivoler en grotesker. Het lopende verhaal wordt afgewisseld door monologen, brieven en dagboekaantekeningen. In de tekst verschijnen kadertjes, in de marge staat commentaar ondersteboven of in spiegelbeeld. Er zijn bladzijden waarop maar een enkel woord staat, bladzijden gevuld met doorgestreepte tekst of zwarte kruizen, bladzijden waarop de zinnen de vorm van vierkanten of bogen aannemen. En terwijl het woord `huis' consequent in het blauw gedrukt is, en citaten in vreemde alfabetten voorbijtrekken, wemelt het in de voetnoten van de uitzinnige tekens die aangeven dat er een voetnoot-in-een-voetnoot begint. Het kaartenhuis oogt als de meesterproef van een tovenaarsleerling die heeft rondgedwaald in de krochten van een geavanceerd tekstverwerkingsprogramma.

Je kunt je laten afschrikken door de buitenissige vormgeving. Maar dan mis je zowel een knap in elkaar gestoken thriller (die nieuwe inhoud geeft aan het begrip unheimlich) als een af en toe zeer geestige satire op onder meer de interpreteerdrift van de academische wereld. Om met het eerste te beginnen: het grootste en toegankelijkste gedeelte van Het kaartenhuis beschrijft de belevenissen van de fotograaf Will Navidson en zijn vrouw Karen die met hun twee kinderen verhuizen naar kleinsteeds Virginia. Hun toch al moeizame relatie komt onder grote druk te staan wanneer hun nieuwe huis kuren gaat vertonen: een op maat gemaakte boekenkast past niet meer, van de ene op de andere dag verschijnt er een deur naar een niet eerder opgemerkte kruipruimte (commentaar van de te hulp geroepen politie: `Je kunt beter het slachtoffer zijn van een gekke timmerman dan van een of andere overvaller'), en als Will zijn broer en een paar vrienden te hulp roept om de vreemde verschijnselen te onderzoeken, opent zich tussen twee slaapkamers een geheimzinnige zwarte gang.

Zo samengevat is Het kaartenhuis de zoveelste variatie op het spookhuisthema dat we kennen uit honderden boeken en films, van The Castle of Otranto tot The Shining en Poltergeist. Maar hoewel `American gothic' de boventoon blijft voeren, ontwikkelt het verhaal van Will en zijn naasten zich meer tot het verslag van een levensgevaarlijke ontdekkingsreis. De zwarte gang geeft namelijk toegang tot een labyrint van trappen en gangen dat voortdurend verandert van formaat en waarin zich getuige een telkens oplaaiend gebrul iets monstrueus schuil houdt. Wat het huis precies in zich bergt, wordt nooit duidelijk: de eerste groep professionele bergbeklimmers die afdaalt in het duister komt na vele dagen zwaar getraumatiseerd terug, en als Will zeer tegen de zin van Karen zijn verdwenen broer gaat zoeken, moet ook hij alle hoop laten varen.

De doolhof uit Danielewski's debuut laat zich niet doorgronden, net zo min als de witte walvis in Melville's MobyDick (die ook het object was van eindeloze speculaties en een allesvernietigende zoektocht). Zoals iemand in Het kaartenhuis opmerkt: `Zoals een gemeen virus zich verzet tegen het immuunsysteem van het lichaam, verzet het huis zich tegen interpretatie.' Iedere bezoeker van het labyrint ziet zijn eigen angsten erin belichaamd, het Monster blijft zonder eigenschappen, en van een katharsis zoals die komt aan het eind van Hollywood-films of Stephen King-verhalen is dus geen sprake.

Autobiografische film

Wat het kernverhaal van Het kaartenhuis vooral onderscheidt van de doorsnee thriller is de manier waarop het gepresenteerd wordt: als een populair-wetenschappelijke verhandeling over een autobiografische film van Will Navidson die onder de titel `The Navidson Record' in het begin van de jaren negentig furore maakte. Navidson wilde een cinéma vérité-film over zijn huiselijk leven schieten; daarom hing hij het huis in Virginia vol met camera's, die natuurlijk van onschatbare waarde bleken toen het labyrint zich opende. Zijn home movies werden – aangevuld met gefilmde interviews achteraf – tot een film gemonteerd; en na een bescheiden succes in de betere bioscopen werd `The Navidson Record' in de academische wereld onderwerp van debatten en interpretaties, die nauwgezet zijn samengevat in de tekst die voor ons ligt. Wat wij te lezen krijgen is dus een documentaire over een documentaire.

Danielewski is niet de enige die in de jaren negentig op het idee kwam om een griezelverhaal in documentairevorm te gieten. Twee jaar geleden was er al de veelgeprezen film The Blair Witch Project die zogenaamd was gemonteerd uit de teruggevonden video-opnamen van drie filmstudenten die in de bossen van Maryland waren verdwenen. Maar terwijl de makers van The Blair Witch Project uit alle macht probeerden om – onder meer door mystificaties op het internet – de indruk te wekken dat het allemaal echt gebeurd was, plaatst Danielewski voortdurend vraagtekens bij zijn eigen verhaal. Al was het alleen maar omdat hij de meest krankzinnige en geleerde interpretaties van `The Navidson Record' de revue laat passeren, of ze nu komen van filosofen, filmcritici, gender-wetenschappers, sociologen, psychologen of theologen.

Onbekende, en ongetwijfeld geheel uit Danielewski's duim gezogen wetenschappers (die Navidsons avonturen onder meer relateren aan de Griekse mythologie, de Bijbel en de semiotiek) paraderen daarbij naast overbekende academici. In een van de geestigste passages van Het kaartenhuis vraagt Karen een aantal beroemdheden om Navidsons videotapes te duiden. Douglas Hofstadter (Gödel Escher Bach) probeert het monster in het huis met wiskundige formules te vatten, cultuurcritica Camille Paglia ziet het labyrint als symbool voor de vagina (`alleen mannen dalen erin af'), horrorschrijver Stephen King waarschuwt ervoor om overal een symbool in te zien (`soms is een walvis gewoon een walvis'), de filosoof Jacques Derrida – net als Danielewski schrijver van een boek waarin het commentaar in de marge de tekst overvleugelde – mompelt iets onbegrijpelijks, sixties-held Hunter Thompson spreekt over `a bad trip', en de psychiater Leslie Stern maakt zich ervan afmet een Woody Allen-achtige grap: `Ik doe allang niet meer aan betekenis. Een tafel bemachtigen bij Elaine's is al moeilijk genoeg.'

Verwarring

Danielewski is een modern, om niet te zeggen postmodern schrijver, die verwarring wil zaaien over de authenticiteit en het waarheidsgehalte van de teksten die een auteur zijn lezers voorschotelt. Geen wonder dat hij een voorliefde heeft voor zogeheten onbetrouwbare vertellers. Zo is de verhandeling over `The Navidson Record' geschreven door een oude man, Zampanò, die (zoals Danielewski's grote voorbeeld Jorge Luis Borges) blind is en dus nooit de film gezien kan hebben. En de jonge Angelino Johnny Truant, die in het begin van Het kaartenhuis Zampanò dood naast zijn manuscript vindt en `The Navidson Record' vervolgens redigeert voor publicatie, schetst zichzelf in zijn commentaar bij het boek als een eersteklas fantast: `We verzinnen allemaal verhalen om onszelf te beschermen.' Bovendien wordt Truant tijdens het annoteren van Zampanò's werk langzaam gek. In zijn steeds langer wordende voetnoten beschrijft hij hoe hij last krijgt van angstaanvallen, paranoia en hallucinaties, iets wat hij wijt aan de spookachtige inhoud van `The Navidson Record', terwijl wij langzaam doorkrijgen dat zijn psychoses genetisch bepaald zijn.

Het kaartenhuis is – net als onze eigen Max Havelaar – een baaierd van vertelperspectieven; er is namelijk ook nog een anonieme `uitgever' die extra voetnoten toevoegt en met behulp van een aantal appendices licht probeert te werpen op het leven van Johnny Truant. Dat had voor mij niet gehoeven. Hoe verrassend en goed de toevoegingen ook zijn – de verzamelde brieven van Johnny's moeder zijn onlangs met veel succes apart uitgegeven als The Whalestoe Letters – de figuur van Johnny Truant is minder interessant dan het becommentarieerde verhaal van de exploratie van het huis. De lezer die gegrepen is door het spookverhaal en die om het commentaar kan grinniken, raakt afgeleid door de stoere, vaak pornografische L.A.-verhalen van Truant – evenals door sommige ellenlange uitweidingen, door een cryptisch appendix met gedichten, of door het veertig pagina's tellende register waarin ook lemma's staan als `ons' en `ketchup'. Af en toe lijkt Danielewski's werk op de puinhoop die wordt aangetroffen in de boedel van Zampanò: `Eindeloze klissen van woorden, die soms losdraaiden tot een betekenis, soms tot helemaal niets, vaak uit elkaar vielen, altijd vertakten naar andere stukken.'

De ironicus Danielewski weet wat hij doet. Over de film `The Navidson Record' laat hij Zampanò schrijven: `Alleen het goede verhaal zal in de komende jaren een gezonde populariteit garanderen, maar het intrinsiek vreemde ervan zal het voorgoed buiten de belangstelling van het grote publiek houden.' Maar zelf is Danielewski, de zoon van een avant-garde-filmmaker, meer geïnteresseerd in de manier waarop je een verhaal vertelt dan in het verhaal zelf. ,,We haven't begun to push the boundaries on books yet,' zei hij vorig jaar in een interview met The Guardian. Waarna hij uitlegde wat hem in Het kaartenhuis voor ogen had gestaan: ,,Het is een oude traditie in de film om de ervaringen van de toeschouwer te intensiveren en te beheersen met behulp van long shots, close-ups, ritmische patronen, kleur. Ik vroeg me af of ik dat ook op een boek kon toepassen.'

Typografie

In die filmische aanpak is Danielewski geslaagd. Niet alleen doordat hij de typografie te hulp heeft geroepen om de lezer op te jagen (weinig woorden op een pagina), af te remmen (volle bladzijden, scheefstaande passages), of zelfs een claustrofobisch gevoel te geven (tekst in tunnelvorm), maar vooral doordat hij stilistisch zo veel registers bespeelt. Dat maakt Het kaartenhuis tegelijkertijd interessant voor thrillerkenners, liefhebbers van expeditieliteratuur (Into Thin Air), fans van Westkust-zedenschetsen à la Bret Easton Ellis, filmfanaten, en iedereen die een gedurfd cult-boek op zijn waarde kan schatten. Alle personages in het boek hebben hun eigen stem, van de braaf-objectieve Zampanò en de losgeslagen Truant tot bijfiguren als Wills broer Tom (die zijn angsten bezweert met het debiteren van moppen) en een oliedomme minnaar van Karen (die alleen maar in clichés praat). Voeg daarbij Danielewski's gevoel voor humor, en het resultaat is een roman die je ondanks de vervelende passages – die zonder problemen overgeslagen kunnen worden – achter elkaar uitleest.

`Er is maar één keuze en de dapperen maken die,' stelt Johnny Truant in Het kaartenhuis. `Vlucht weg van het pad.' Precies dat heeft Mark Z. Danielewski gedaan. Tien jaar werkte hij aan de anti-roman Het kaartenhuis, en toen die verschenen was, richtte hij zich weer op andere dingen. House of Leaves is een project geworden, met een eigen website, spin-offs op het internet, en zelfs vertakkingen naar de hitparade. Samen met zijn zuster, de zangeres Poe, heeft Danielewski een nummer opgenomen waarop hij voorlezend uit House of Leaves te horen is. Het nummer, als single uitgebracht en te vinden op Poe's cd Haunted, was succesvol genoeg om hun als duo een contract te bezorgen voor een tournee door Noord-Amerika – zij het in het voorprogramma van de jaren-tachtiggroep Depeche Mode.

Te hopen valt dat de popcarrière van Mark Danielewski geen lang leven beschoren is. Anders zou hij wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een one-book wonder. Voorlopig is dat geen ramp: met de 700 pagina's van Het kaartenhuis kunnen zijn lezers nog wel even vooruit. En net als in het spookhuis in Virginia valt er voor de avonturier bij elke volgende visite steeds meer te ontdekken.

Mark Z. Danielewski: Het kaartenhuis. Uit het Engels vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Cargo (De Bezige Bij), 714 blz. ƒ59,50. De Engelse paperbackeditie, House of Leaves, is verschenen bij Anchor, 710 blz. ƒ49,95

De doolhof uit Danielewski's debuut laat zich niet doorgronden, net zo min als Moby Dick

Het boek oogt als het werk van een tovenaarsleerling met een tekstverwerkings-programma