Mijn vader

Mijn vader geboren in 1903 hield van de natuur. Het strand en de bossen zag hij niet zo vaak, maar wel de polder daar kwam hij elke dag om naar de hazen te kijken. ,,Kijk,'' zei hij tegen ons, ,,daar in dat holletje daar slapen de hazen. Wij noemen hun bed hazenleger. Alle hazen hadden een hazenlip, omdat hun bovenlip gespleten is. Ze hebben lange achterpoten en een korte staart, en hun achternaam is Haas. Denk maar aan Anton de Haas die aan de dijk woont en loodgieter is geworden. Die stopt zijn lange oren altijd onder een grijze pet.''

Mijn vader leerde ons welk pluimpje mouwkruipers waren, en hoe je de klitten van een klittenstruik in iemands haar kon gooien. Hij plukte een leeuwenbekje, deed twee vingers in de bloem, deed hem open en dicht, en liet de brul van een leeuw horen. Hij had een fles voor ons meegenomen met water. We plukten klaprozen en deden de blaadjes in de fles. ,,Lang en goed schudden kinderen, zei mijn vader, ,,dan hebben jullie vanavond zelfgemaakte rooie inkt.'' In al zijn zakken zaten krentenbollen. Maar hij noemde ze fietsbollen. Omdat er te weinig krenten in zaten, moest je van de ene krent naar de andere fietsen.

Aan het eind van de dag leerde hij ons hoe je slootje moest springen. Maar al de eerste keer haalde hij de kant niet, en gleed het water in. We trokken hem er met man en macht uit. Hij vond het ergste dat zijn sigaren nat waren geworden.