Kamikaze op z'n Amerikaans

`De officieren houden van hun mannen, de meisjes houden van hun mannen, de mannen houden van hun meisjes en van elkaar'. Ian Buruma zag `Pearl Harbor' en dacht aan Japanse oorlogsfilms.

-

Zelden en misschien wel nooit is er met zoveel geld, moeite en technisch vernuft een zo belachelijke film gemaakt als Pearl Harbor. Dankzij de digitale techniek en de langdurige ervaring van regisseur Michael Bay met reclamefilms en videoclips ziet de film er geweldig uit; dichter bij de werkelijke aanval op Pearl Harbor kun je in een gerieflijke bioscoopstoel niet komen. Maar afgezien van de actiescènes, die – nogmaals – voortreffelijk zijn, is het een goedkoop melodrama, vol mierzoet en schaamteloos Amerikaans patriottisme.

Ik laat het melodramatische verhaal over twee stoere gevechtspiloten en hun meisje even terzijde. Opvallend was het patriottisme en de verheerlijking van mannelijke spierbundels. Het doorlopende geleuter over `moed' en `de Amerikaanse ziel' en `heldendom' en `plicht' en `sneuvelen voor je land' werd geïllustreerd met Riefenstahl-achtige beelden van de piloten: lage camerahoek, stralende zon in de rug, lange benen, blond haar, gebruinde huid, spieren als kabels, brutale lachjes of grimmig vastberaden kaken: Ben Affleck en Josh Hartness als pin-ups van de Spartacus-gids voor Zuid-Californië.

Het patriottisme is ofwel wee, ofwel gezwollen. Bommenwerpers klaar voor de aanval op Tokio worden liefdevol versierd met Mickey Mouse. Een uitgebluste RAF-officier (bleek, spichtig, Engels) zegt tegen Affleck dat God de Duitsers moge bijstaan als alle Amerikanen zo zijn als hij. We zien een invalide Roosevelt moeizaam overeind komen, een heldhaftige president voor een volk van helden, en tekeergaan over `de dag der schande'. We horen een requiem als gewonde soldaten sterven en er kostbaar Amerikaans bloed in Coca-Colaflesjes wordt gegoten. De officieren houden van hun mannen, de meisjes houden van hun mannen, de mannen houden van hun meisjes en de mannen houden van elkaar. De meisjes doen er trouwens nauwelijks toe. Dit een ode op Amerikaanse mannenvriendschip.Aangezien Amerikaanse kinderen nog altijd trouw aan de vlag moeten zweren, en de Amerikaanse politiek vol zit met nationalistische prietpraat, hoeft men zich hier misschien niet over te verbazen. En toch is het totale gebrek aan ironie in deze oorlogsfilm opmerkelijk. Want dat is niet altijd zo geweest. Oorlogsfilms uit Hollywood in de jaren zestig en zeventig waren vaak doorspekt met ironie en satire. In de dagen van de Vietnamoorlog en het protest daartegen, waren bioscoopgangers minder ontvankelijk voor preken over militaire glorie. Zelfs Patton, de lievelingsfilm van Richard Nixon, was een dubbelzinnig portret van de oude ijzervreter.

Ook de oorlogsfilms uit de jaren vijftig waren minder zoet. En dat ligt voor de hand. Veel filmers en acteurs hadden zelf in de oorlog gevochten. John Wayne en Ronald Reagan waren dan wel nooit aan het front geweest, maar James Stewart en Robert Mitchum wel. En ook de films waarin de Amerikaanse moed werd verheerlijkt hadden nog een donkere kant, hadden hun bekomst van louter nobele sentimenten. Dat was te zien in de geloken ogen van Mitchum. De heroïek van John Wayne komt op ons misschien oubollig over, maar hij was zelden zoetsappig. Vergeleken bij Pearl Harbor is een typisch Wayne-product als The Sands of Iwo Jima diepzinnig. Zijn generatie wist hoe echte soldaten in oorlogstijd zijn; ze praten niet over glorie en heldendom maar vloeken en hopen de volgende bloedige dag te overleven. De makers van Pearl Harbor weten dat klaarblijkelijk niet. Zij hebben geen herinneringen. Voor hen is oorlog een verre droom, met een merkwaardig vleugje nostalgie.

Een opvallend verschil tussen Pearl Harbor en eerdere oorlogsfilms is de volstrekte afwezigheid van duistere of zelfs maar enigszins gecompliceerde personages. Er komt geen schoft in voor à la Lee Marvin of Jack Palance. Iedereen is een Joris Goedbloed. Zelfs de Japanners zijn brave lieden, zonderling maar braaf. De ergste term die door de Amerikanen in het vuur van de strijd wordt gebruikt is Jap suckers ('stomme Jappen'), niet yellow bastards ('gele etters'), wat destijds toch de meer gangbare term was. In de correcte geest van onze tijd (en met een schuin oog naar de Japanse markt) wordt verondersteld dat de Japanners andere waarden hebben dan wij omdat ze uit een andere cultuur komen. Volgens Affleck zijn de Japanners `een eerzaam volk met een bepaalde opvatting'.

Dat klinkt mooi, maar hoe weet hij dat ze allemaal zo eerzaam waren? Was het eerzaam om China binnen te vallen en miljoenen Chinese burgers te vermoorden? Hoe eerzaam was trouwens een aantal van de Amerikaanse helden? Neem de beroemde admiraal `Bull' Halsey, met zijn motto: `Kill Japs, kill Japs, kill more Japs'. Of generaal-majoor Curtis LeMay, de man die Tokio (en later Noord-Vietnam) bombardeerde en zich in de handen wreef dat er in Tokio in één nacht honderdduizend mensen waren `geroosterd en gebakken en gebraden'. Nuttige kerels misschien om bij de hand te hebben in oorlogstijd, maar eerzaam?

Pearl Harbor laat er geen misverstand over bestaan dat de Japanners een raar volk zijn. Ze komen niet zoveel in beeld, maar áls je ze ziet, grommen ze vreemde dingen (in niet altijd even vlekkeloos Japans) in exotische decors. Het lijkt wel of elke Japanse admiraal verplicht een reuzenbanier met de rijzende zon achter zich heeft hangen. En de enige Japanse straatscène in de film toont een tempel met giechelende dames in kimono, zoals op een kalenderfoto uit de jaren vijftig voor Japan Airlines.

Halverwege de film moest ik opeens denken aan een andere film over Pearl Harbor, die ik meer dan twintig jaar geleden in Tokio had gezien. Die was in 1942 ter ere van de aanval gemaakt door Yamamoto Kajiro en heette De zeeoorlog van Hawaï tot Malaya. Filmtechnisch was dat net als deze Amerikaanse film een meesterlijk spektakel. Yamamoto's film was de duurste Japanse film tot dan toe en zat vol special effects die nog nooit eerder waren vertoond. De gevechtsscènes, opgenomen met schaalmodellen, waren zo realistisch en zo vaardig vermengd met journaalbeelden, dat Amerikanen die de film na de oorlog zagen dachten dat alles echt was.

Wat mij aan die Japanse film deed denken was niet zozeer het spektakel als wel de patriottische boodschap, en eigenlijk de hele geest van de film, want die was vrijwel identiek aan die van Pearl Harbor. In de Japanse oorlogspropaganda werd – anders dan in de westerse – de vijand meestal niet als schurk afgeschilderd. Net als in Pearl Harbor werd de vijand nauwelijks getoond, deels bij gebrek aan blanke figuranten, maar ook omdat het karakter van de vijand er weinig toe deed. De echte thema's waren `plicht', `moed' en `zelfopoffering'. Ook weer anders dan de westerse oorlogsfilms deden de Japanse weinig om de ontberingen van de oorlog te verbloemen. Hoe harder de actie, hoe eerzamer het plichtsgevoel en de opofferingsgezindheid van de strijders op ons overkomen. Daarom was de Japanse propaganda vaak realistischer dan haar westerse tegenhanger. Hollywood heeft nu, althans wat dit betreft, zijn schade ingehaald.

Ook de personages in de Japanse film en de opbouw naar de hoogtepunten van de gevechtsscènes zijn vergelijkbaar met de benadering in Pearl Harbor. In beide gevallen zijn de helden jongemannen die opgroeien op het platteland, dat liefdevol wordt geschilderd. Geen gladakkers uit de stad dus, maar stoere jongens van Jan de Wit, die niets liever willen dan vliegen. We volgen hen tijdens hun opleiding, net als in Pearl Harbor. En in de ware geest der kameraadschap laten beide films zien dat de ene vriend altijd een oogje houdt op zijn kwetsbaarder makker. Natuurlijk zijn er culturele verschillen. In het Japanse geval is een van de helden aanmerkelijk jonger dan de ander, om de broederlijke verhoudingen in een strakke hiërarchie te illustreren. De Amerikanen zijn van dezelfde leeftijd. Verder is in het Amerikaanse verhaal het vrouwelijke liefdesobject een knappe jonge verpleegster, terwijl het hart van de Japanse held aan zijn moeder toebehoort. Maar dat zijn kleinigheden.

Ook na de oorlog konden de Japanners moeilijk afstand nemen van hun glorie in Pearl Harbor. In 1956 werd die weer gevierd, in een film genaamd Oorlogsgod admiraal Yamamoto en de gezamenlijke vloot. De Amerikaanse filmhistoricus Donald Richie heeft over die film gezegd dat hij `vol zat met bijrolspelers die popelden om te sneuvelen'. Hij citeert een Japanse filmcriticus die indertijd schreef: `Hoe vergeefs hun dood ook bleek, hun daden waren roemrijk.'

Dat klinkt misschien typisch Japans – de kamikazegeest en zo. Maar eigenlijk is de boodschap van Pearl Harbor nagenoeg dezelfde. De makers van de film wilden hun verhaal niet besluiten met de ramp van Pearl Harbor. Ze wilden iets opwekkenders, heldhaftigers. En wat is heldhaftiger dan een missie die vrijwel zeker op de dood uitloopt? De bomaanval op Tokio in 1942, onder leiding van luitenant-kolonel James H. Doolittle, was zo'n missie. Ze diende niet echt een militair doel. Het zou, zoals Doolittle zegt in de film, `maar een speldenprikje' zijn, maar zoals hij ook zegt: een blijk van pure wilskracht om de vijand aan te vallen zou het volk moreel sterken. Wie waagt, die wint; de overwinning is aan het volk met de sterkste wil. Als een van zijn piloten hem vraagt wat hij moet doen als zijn vliegtuig boven Japan wordt neergehaald, antwoordt Doolittle dat hij zich nooit gevangen zou laten nemen; hij zou zijn vliegtuig als zelfmoordbom gebruiken. Ik weet niet of Doolittle dat echt ooit heeft gezegd, maar wat is dat anders dan de kamikazegeest? Het idee dat oorlogen zuiver op wilskracht worden gewonnen was nu precies wat de Japanse legerleiding bezielde. En de verheerlijking van de zelfopoffering was nodig om brave boerenjongens de dood in te sturen ten behoeve van het moreel van het volk.

De aanval van Doolittle was een groots wapenfeit, maar dat neemt niet weg dat de VS de oorlog hebben gewonnen dankzij hun overmacht aan industrieel vermogen, mankracht en natuurlijke hulpbronnen. Wilskracht, moed en zelfopoffering waren niet de doorslaggevende factoren. Maar goed, je kunt ook geen oorlog winnen als er geen mensen bereid zijn te sneuvelen. Dus speelt de propaganda een rol. Maar waarom nu? Wat moeten wij – of de Amerikanen – juist nu met zo'n boodschap? Het idee van de eervolle dood voor het vaderland komt vooral vreemd over in een tijd dat de Amerikaanse regeringen doodsbenauwd zijn voor Amerikaanse slachtoffers. President Clinton was zo bang voor bodybags op het journaal dat hij liever van grote hoogte steden bombardeerde dan er troepen heen te sturen toen dat nodig was. Er is geen aanwijzing dat president George W. Bush daar anders over denkt.

Hoe rijmen we die teergevoeligheid met een filmische lofzang op het ultieme offer? Misschien is er wel geen strijdigheid. Hollywood was altijd al een fabriek van dromen. Het gaat niet om de werkelijkheid maar om onze verlangens. In tijden van economische crisis toonde Hollywood ons het goede leven. In tijden van betrekkelijke vrede, een obsessief gekoester van ons persoonlijke welzijn en lafheid van hogerhand, biedt Hollywood een beeld van heldhaftige zelfopoffering. Pearl Harbor ademt een sfeer van heimwee naar tijden waarin het nodig was om te sterven voor het vaderland. De suggestie wordt gewekt dat mensen in de oorlog betere mensen waren dan wij, ja zelfs dat het misschien wel goed zou zijn voor onze persoonlijke ontwikkeling als het weer eens oorlog werd.

Het is het toppunt van sentimentele volksverlakkerij, dat genoegzame gezwelg in zelfopoffering in de bioscoop om de hoek. Het lijkt ook uitermate cynisch. Maar ik denk dat het nog iets erger is. Ik heb het gevoel dat het de makers van deze bizarre lofzang ernst is. Ze geloven in hun eigen spektakel omdat wij ons daar lekker bij voelen, en zo voelen zij zich weer lekker, en worden er bovendien ook nog rijk van.

Dus wie maalt er om de werkelijkheid? Zak maar onderuit en geniet van de show. Tot de volgende oorlog. En dan sneuvelen wij echt, roemloos.

`Pearl Harbor' gaat in Nederland in première op 28 juni.

Gerectificeerd

Helaas is de naam van de vertaler van Ian Buruma's artikel `Kamikaze' uit het CS van vorige week weggevallen. Het artikel werd vertaald door Rien Verhoef.