Iconologie

In plaats van de bundel `Dankzij de tiende muze' van Eddy de Jongh te bespreken, trakteert Janneke Wesseling de lezer op een aantal amateuristische associaties die zij kreeg bij het bekijken van schilderijen (Boeken 25.5.2001).

Dat doet ze om de lezer te laten zien hoe over kunst moet worden geschreven. Daarna verwijt zij De Jongh dat hij niet hetzelfde doet. Deze heeft in zijn boek, uiteraard nadat hij een aantal schilderijen goed had bekeken, de vaak onduidelijke betekenis ervan opgehelderd. Zijn toelichting voegt een dimensie toe aan het genoegen waarmee men naar schilderijen kan kijken. Het opsporen van betekenisverbanden in kunstwerken houdt geenszins in, wat door sommige naïeve geesten wel gedacht wordt, dat de artistieke aspecten van die kunstwerken geringschat zouden worden. Integendeel!

De suggestie van Wesseling dat de iconologische benadering de enige zou zijn die in dit boek is toegepast, of dat elk kunstvoorwerp door De Jongh als een `verbale puzzel' wordt beschouwd, is volstrekt misleidend. Anders ook dan door Wesseling wordt gesuggereerd spelen emblemen in dit boek een ondergeschikte rol; slechts in één van de drieëndertig hoofdstukken worden ze als interpretatiemiddel gebruikt.

De krasse bewering dat `de lezer nergens de indruk krijgt' dat De Jongh `ook kijkt naar het kunstwerk, als beeld' is ronduit kwaadaardig: op vele pagina's van zijn boek wordt overtuigend het tegendeel gedemonstreerd.