Icarus tobt tussen de illegalen

De kern van het schrijverschap van Robert Anker zou wel eens kunnen liggen in dat ene, terloopse zinnetje in het laatste verhaal van zijn prozadebuut, De thuiskomst van kapitein Rob (1992). In een brief aan zijn jongere zelf, geschreven vanuit een tochtig Amsterdams bovenhuis, probeert hij weer even contact te krijgen met het kind dat hij ooit was. Een zorgeloos kind was hij misschien niet, maar hij was er wel gelukkig, in dat overzichtelijke, Noord-Hollandse dorp.

Het verschil tussen toen en nu schuilt vooral in het pijnlijk besef van wat verloren is gegaan: de vanzelfsprekende harmonie tussen het kind en zijn omgeving, tussen binnen- en buitenwereld. `Ik hoor nergens meer echt bij', stelt de oudere Anker wat sneu vast, al staat hij daar vervolgens niet te lang bij stil. Hij wekt niet graag de indruk een sentimentele kwast te zijn, die huilt om vroeger.

Vandaar ook, denk ik, dat de toon van zijn poëzie en proza overwegend gepeperd te noemen is. Hij schrijft wel eens wat over zijn dorp, maar mondjesmaat. Veel vaker heeft hij het over het stadsleven waarin hij ooit is terechtgekomen en waaraan hij nooit helemaal gewend lijkt geraakt. Hoe ontheemd zijn personages zich ook mogen voelen, hoezeer ze ook gebukt mogen gaan onder `mentale dakloosheid', zoals hij het uitdrukt in zijn nieuwe roman, Een soort Engeland, – ze geven daaraan uitdrukking met een gebalde vuist, bij wijze van spreken.

Spreektaal

`Ben ik verdomme weer de straat van het restaurant voorbijgelopen', zo luidde de kloeke openingszin van Vrouwenzand (1998), Ankers vorige roman. Paul Masereeuw, de advocaat van kwade zaken die erin figureerde, afkomstig uit het Zeeuwse heimweedorp Vrouwenzand, wist van wanten, geen doetje dus. En dat was ook af te lezen aan de roman als geheel: geen navelstaarderij, nauwelijks innerlijke roerselen, maar een overweldigende hoeveelheid uit het leven en uit de geschiedenis gegrepen gebeurtenissen, hard en snel verteld, zoveel mogelijk in spreektaal. Over de studentenopstand ging het, over de kraakbeweging, de val van de Berlijnse muur, ontgroening, militaire dienst, de verdorvenheid van de Amsterdamse politie, de vrouwenbeweging, het Nederlandse drugsbeleid, moderne videokunst, de klassenstrijd en nog zo het een en ander. En steeds kierde door al die grootsteedse bedrijvigheid de existentiële vraag: waar hoor ik bij? Bij deze vriend, gene vrouw, bij club zus of groep zo? Een antwoord op die vraag gaf Anker niet, ook niet na 556 bladzijden. Zijn held haalde nog snel wat mooie herinneringen op aan Vrouwenzand en vluchtte tenslotte weg voor zijn identiteitsprobleem door in een ander land onder een andere naam een ander leven te beginnen.

In Een soort Engeland is het geen advocaat, maar een acteur, de 53-jarige David Oosterbaan, die kampt met soortgelijke levensvragen. Zijn mentale dakloosheid doet ook hem af en toe terugverlangen naar vroeger, naar het dorp M. om precies te zijn, `de heilige hal van zijn adolescentie', waar hij ooit deel uit maakte van een club van zeven vrienden en vriendinnen. Net als Masereeuw, die ook nog even in het boek opduikt – Anker houdt van dit soort dwarsverbindingen – vindt hij dat hij een grote stadsjongen moet zijn, die accepteert dat er steeds meer allochtonen met enge religies zijn pad kruisen, dat er stinkende zwervers zijn en onbetrouwbare junks (zijn eigen dochter die hij vergeefs weer op het goede pad probeert te brengen, is er één van), luidruchtige nachtcafés, onsmakelijke zieken, in tehuizen wegdommelende bejaarden, veel zinloos geweld, illegalen uit alle windstreken en veel lelijke, platvloerse, rasechte Amsterdammers met `overbloezende buiken', een geliefkoosde uitdrukking van Anker.

Watersproeier

Zelf heeft David trouwens ook zo'n buik en ordinair is hij eveneens, want hij zegt om de haverklap `kut' en `klootzak' en `godverdomme' en `jezus christus'. Maar heimelijk koestert deze halfhartige stadsbewoner een verlangen naar een ideale plek, die verstoken is van de rotzooi en de herrie van het moderne leven. `Een of ander Engeland' werd dat in Vrouwenzand genoemd en ook David heeft een nogal belegen aandoend visioen van `een Engels gazon in een wereld waar de snackbar de baas is. Het ruisen van de watersproeier in plaats van het razen van Radio Drie.'

David is een hopeloze schertsfiguur, met zoveel tegenstrijdige eigenschappen dat hij niet serieus te nemen valt – een probleem als men geacht wordt een roman lang door hem geboeid te blijven. Op zijn krakkemikkige woonboot zit hij sophisticated te doen over Heidegger, te pas en te onpas citeert hij Shakespeare, hij steekt vermoeiende, overgearticuleerde monologen af over Hamlet en andere theatrale stokpaarden, valt Lena, een jonge actrice lastig met zijn opzichtige oudemannen-avances, neemt de dingen om zich heen veel te hevig waar en houdt deze waarnemingen vervolgens voor authentiek.

Anker krijgt zijn anti-held haast niet van de grond, terwijl van meet af aan duidelijk is dat hij toch weer zal moeten vallen, deze topzware Icarus, die zo hevig naar het hoogste reikt. Maar evengoed krijgen we dan nog, in veel te veel detail, zijn levensloop voorgeschoteld: mislukt huwelijk, afgebroken toneelopleiding, experimentele produkties te E., vormingstheater, kraakbeweging, commune te P., een hele reeks verbroken relaties (met in alfabetische volgorde: Adriënne, Akke, Alida, Alma, Anna, Anne-go, Anneke en Annelies) en ten slotte toch nog een fraaie carrière als acteur in klassieke toneelstukken. In Carré en andere belangrijke theaters speelt hij de sterren van de hemel, als wij Anker mogen geloven. Zijn `speldrift' heeft het gewonnen van al het andere. Op het toneel wil hij `aan het bestaansmysterie' raken, om zo een hogere werkelijkheid tot stand te brengen. `Doet een acteur iets anders dan avond aan avond de top van zijn existentie beklimmen?', zo luidt de retorische vraag, zodat ook niet duidelijk gemaakt hoeft te worden wat dat eigenlijk is, de top van iemands existentie.

Deze euforie ebt langzaam maar zeker weg. David komt erachter tijdens het oefenen voor een voorstelling die toepasselijk `Theatervernietiging' heet, dat toneelspelen `allemaal ijdelheid en aanstellerij' is. `Door en door vals is hij, de acteur.' Hij probeert tegen beter weten in nog wel de hoofdrol te spelen tijdens de première, maar het lukt niet, de woorden blijven in zijn keel steken. Waarna het doek definitief valt voor hem en hij de brokstukken van zijn leven moet overzien, dat er ineens akelig leeg bijligt.

Maar gelukkig, deus ex machina, ontdekt hij tussen de rotzooi ineens een foto uit M. (= Medemblik), die hem `met volle vuist in de maag' treft, omdat hij zichzelf ineens terugvindt. Want daar leefde hij wel, met zijn vrienden en vriendinnen, daar vielen werkelijkheid en gedroomde werkelijkheid nog samen. Daar hoorde hij er nog echt bij. `Ieder beeld in M. heeft een betekenis, en is weer deel van een groter verband', peinst hij dan, `wat moet je er verder over zeggen?' Mij lijkt het dat daar heel wat over te zeggen valt, over die betekenissen en dat grotere verband. Misschien moet Anker de drukke stad eens even links laat liggen om de spa te kunnen zetten in het raadsel van zijn oergrond.

Robert Anker: Een soort Engeland. Querido, 268 blz. ƒ39,95