Geert

Het lezen van Geert, het portret van de uitgever Geert van Oorschot door J.J. Voskuil in het recente nummer van Tirade, woelde bij mij enkele diepgewortelde herinneringen aan dit intrigerende fenomeen los. Dat is in de eerste plaats te danken aan Voskuil zelf, die de man op onuitwisbare wijze oproept. Jeroen Brouwers was dat in 1989 ook al gelukt met het boekje Het tuurtouw.

Stilistisch kan het verschil tussen schrijvers niet groter zijn de barok van Brouwers versus de bondigheid van Voskuil maar in hun visie op Van Oorschot staan ze dicht naast elkaar. Beiden ervoeren Van Oorschot als een explosief vat vol tegenstrijdigheden waar ze vaak geen raad mee wisten. ,,Hij kon zoveel warmte uitstralen'', schreef Brouwers, ,,dat het soms benauwend werd, – als een te hoog opgestookte vulhaard in een klein vertrek. Hij was een beste vriend, maar soms moesten de ramen open.''

Voskuil hield de ramen dicht en ging er vandoor. ,,Ik voelde me tegenover zoveel hartelijkheid en spontaniteit tekortschieten, maar tegelijk ergerden ze me ook, omdat ze zo verdomd veeleisend waren.'' Brouwers bleef bevriend, vele brouilles ten spijt. Hun band was nauw. Het gebeurde wel dat de uitgever hem na een bijeenkomst opbelde met de vraag: ,,Met wie je daar stond te praten, is dat een lul of een halflul?''

Adembenemend is de passage waarin Voskuil de vloer aanveegt met Van Oorschots gedweep met vriendschap. Vriendschap betekent solidariteit en solidariteit is er niet, stelt Voskuil. ,,Je omgeeft je met dwergen om te kunnen denken dat je zelf een reus bent'', zei ik, ,,een soort God. Maar dat ben je niet. Was dat maar waar. Je bent verdomd blij met hun pluimgestrijk. Dat bewijst dat voorwoord bij het honderdste nummer van Tirade. Je bent zo ijdel als de pest. Dat vind ik best, maar je moet dat niet voor vriendschap houden.''

Ik heb Van Oorschot twintig jaar geleden voor Vrij Nederland geïnterviewd. ,,Tien minuten is zeker wel genoeg?'' vroeg hij toen ik binnenstapte. Het werden drie uur waarin hij zich zeer openhartig toonde. Ik beschreef hem later als volgt: ,,Hij is beurtelings een impulsieve man, een autoritaire man, een ijdele man, een ontroerende man.''

Autoritaire mensen wekken onvermijdelijk verzet bij me op, zelfs als ze gelijk hebben, heb ik de neiging hen tegen te spreken. Dat deed ik ook bij Van Oorschot, en het werkte. Daarbij hield ik wel voor ogen dat zijn autoriteit ergens op gebaseerd was: hij was niet alleen een groot uitgever, maar ook een boeiende schrijver.

Het einde van ons gesprek was typerend voor de man. Hij stond op, maakte een venijnige opmerking over mijn collega Bibeb en liep de kamer uit. Ik borg mijn spullen op. Waar was-ie nou? Ik zocht de bovenste verdieping van zijn kantoor af. Niemand. Een etage lager vond ik hem achter een bureau, verdiept in papieren. ,,O ja'', zei hij, en hij gaf me een hand terwijl hij bleef zitten.

Ik hoorde niets meer van hem totdat ik jaren later een brief van hem kreeg. Of ik hem nog aan een kopie van dat interview kon helpen.