Een omtrekkende beweging

`The characteristic act of men at war is not dying, it is killing', zo stelde historica Joanna Bourke. Het is een ongemakkelijk inzicht waarvan de beruchte foto van de Atjehse benteng Koetoh Reh treffend getuigenis aflegt: kort na hun aanval op 14 juni 1904 staan de gevreesde marechausseetroepen van het KNIL boven de palissade, aan hun voeten liggen de Atjehse lijken. De foto biedt een zeldzaam intiem kijkje in de keuken van de Atjeh-oorlog, de grootste koloniale oorlog die Nederland ooit heeft gevoerd.

Het kiekje is afgedrukt in Atjeh. De verbeelding van een koloniale oorlog, een artikelenbundel die niet gaat over het gruwelijke oorlogsbedrijf in Atjeh. Zo kan het gebeuren dat de lezer zo'n honderd pagina's na die onaangename Koetoh Reh-foto stuit op het dromerige gelaat van acteur Thom Hoffman, die een rol speelde in de televisieserie In Naam der Koningin (1996), het meest recente voortbrengsel van Atjeh-verbeelding dat de bundel behandelt. Verder treft de lezer een bloemlezing eigentijdse Atjeh-liederen, spotprenten over de Nederlandse Atjeh-politiek, Atjeh-romans van de schrijfster Madelon Székely-Lulofs en het `Toekoe-Oemarspel'. Het doel van dit bordspel, zo schrijven de spelregels voor, `is om T.O. (een Atjehse verzetsleider) in een der beide driehoeken te doen opsluiten'.

Dat tussen alle brokstukken Atjeh-verbeelding de zwarte doos waarin de ware toedracht van de Atjeh-ramp staat opgetekend, onvindbaar is, volgt uit de doelstelling van het boek. `Wat ons voor ogen staat', stellen de samenstellers, `is een boek waarin het gaat om de beeldvorming over Atjeh, de manier waarop dit opstandige gewest gestalte heeft gekregen in de pers, de literatuur, beeldende kunst, film, liedjes en spotprenten'. Atjeh volgt dus het veilige parcours van de omtrekkende beweging, ver van het echte krijgsrumoer in de Atjehse jungle. Het is een weinig consistent parcours omdat de behandelde onderwerpen, beurtelings aan de orde gesteld door wetenschappers van verschillende pluimage, ver uiteen lopen. Dat laat onverlet dat Atjeh over de gehele linie een interessante verkenningstocht biedt langs de zijlijn van de Atjeh-oorlog.

Frustratie

De Leidse historicus Martin Bossenbroek zet er meteen goed de pas in. Zijn artikel, dat een algemeen historisch kader biedt, behandelt de Nederlandse ups-and-downs in Atjeh met de razende vaart van een mars door vijandig gebied. De eerste twintig jaar werden gekenmerkt door militaire machteloosheid en nationale frustratie. `Maar toen kwam Van Heutsz, en alles werd anders. Het klinkt als een spannend jongensboek, en in zekere zin was het dat ook', zo leidt Bossenbroek de periode na 1894 in.

De methode-Van Heutsz – gericht geweld, precies als een chirurg – bleek een succesformule. Omstreeks 1900 was sprake van een heuse overwinningsroes in Nederland. Dat veranderde toen het jongensboekverhaal van Van Heutsz na 1903 een al te gruwelijk vervolg kreeg. De mythe van het chirurgische geweld werd bruut verstoord. Vooral de geruchtmakende expeditie door de Gajo- en Alaslanden (waartoe het gefotografeerde bloedbad in Koetoh Reh behoorde) vormde een wanklank. De volgende jaren klonk in Nederland de kritiek op de geweldsexcessen steeds luider.

Voor Van Heutsz, die inmiddels was benoemd tot gouverneur-generaal, bleef de schade beperkt. Zijn reputatie als brenger van `orde, rust en welvaart' was ondertussen stevig gevestigd, zoals neerlandicus Peter van Zonneveld aantoont. De Van Heutsz-mythe kwam pas echt tot volle bloei nadat Van Heutsz in 1924 op het kerkhof van Clarens in Zwitserland een laatste rustplaats leek te hebben gevonden. De natie zou haar koloniale held en boeman echter nog een bewogen naleven bezorgen. In 1927 werd het ontzielde lichaam van Van Heutsz uit het Zwitserse graf gelicht en per trein naar Amsterdam gebracht waar de koloniale held een plechtige herbegrafenis te beurt viel. Van Zonneveld doet kleurrijk verslag van de begrafenisstoet, die door een enkele commentator betiteld werd als `het eerste Nederlands-fascistische machtsvertoon'. De Van Heutsz-cultus liet de volgende decennia – van Batavia tot Amsterdam, van Coevorden tot Atjeh – nog een spoor na van monumenten, bustes en plaquettes, die een graag gezocht doelwit vormden van anti-imperialistische actievoerders.

Evenmin onbesproken van reputatie is islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, zo maakt de islamoloog Karel Steenbrink duidelijk. Snouck, die nog altijd te boek staat als scherpzinnig geleerde, verrichtte in 1892 namens de regering in Atjeh een `volkenkundig' veldonderzoek, dat hem bracht tot de conclusie dat alleen genadeloos optreden tegen Atjehse verzetsleiders de slepende guerrilla kon beëindigen. Snouck verenigde met zijn hardvochtige aanbevelingen en zijn grote kennis van de Atjehse maatschappij de kwalen én deugden van het `ethische' kolonialisme.

Allegaartje

Minder ethisch, meer fascistoïde is de reputatie van H.C. Zentgraaff, geducht `revolverjournalist' en schrijver van een merkwaardig boek over de Atjeh-oorlog. Zijn Atjeh is een allegaartje van journalistiek, geschiedschrijving, indianenverhalen en padvindersromantiek. Het is ook een platenalbum waarin foto's van Atjeh-strijders, tropisch natuurschoon én de slachting in Koeteh Reh elkaar afwisselen. Zentgraaff appelleerde aan het koloniale zelfbeeld: avontuurlijk, strijdbaar, doortastend, noodzakelijkerwijs gewelddadig, maar bovenal chevalresk. Een universele thematiek die ook in postkoloniaal Indonesië nog onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent, blijkens de in 1983 verschenen Indonesische vertaling van Zentgraaffs Atjeh. Volgens vertaler Aboe Bakar heeft Zentgraaff `met zijn boek een plaats verworven onder de Nederlandse schrijvers over Indonesië, en wel onder de zeer groten. Zijn naam dient met grote eerbied genoemd.' Een oproep die in ieder geval niet was besteed aan E. du Perron: hij noemde Zentgraaff al in 1938 `een spuugklodder op het gezicht van de Indische samenleving'.

Zo werd er vlijtig over en weer met modder gegooid in Indië, niet in de laatste plaats in de koloniale pers die een traditie kende van heetgebakerde pennenstrijd, zoals neerlandicus/historicus Gerard Termorshuizen aantoont. De Nederlands-Indische pers vormde sinds 1860 een luis in de pels van het koloniale gouvernement. Het fiasco van de eerste Atjeh-expeditie (1873) kwam de verantwoordelijke gouverneur-generaal Loudon te staan op vlijmscherpe commentaren. Conrad Busken Huet – in Nederland gevreesd literair criticus, maar in Indië `paladijn en spreekbuis van de gouverneur-generaal' – stelde zich vierkant op achter de geplaagde landvoogd. Het bracht Huet in botsing met Javabode-redacteur H.B. van Daalen, die op zijn beurt fel van leer trok: `Wij kunnen niet meer terug, dan ten koste van ons gezag in Indië. Wij kunnen niet meer vooruit dan ten koste van duizenden menschenlevens die nog zullen verloren gaan als zoovele slachtoffers van de onrechtvaardigste, afschuwelijkste, en met de meeste dolzinnigheid ondernomen veroveringstocht waartoe ooit een landvoogd van N.I. heeft last gegeven.'

In 1874 waren dat profetische woorden, die de journalist overigens op een jaar gevangenisstraf kwamen te staan wegens `hoon en smaad' jegens de gouverneur-generaal. De volgende decennia werd Van Daalens doemscenario werkelijkheid: Atjeh was voor Nederland een fuik waaruit ontsnapping alleen mogelijk was door strijd op leven en dood.

De Atjeh-oorlog toont het Nederlandse koloniale avontuur in zijn rauwste gedaante: weerzinwekkend, maar ook aantrekkelijk, zoals deze bundel duidelijk maakt zonder er een verklaring voor te geven. `Je zou kunnen zeggen, zo schreef E.M. Beekman in Paradijzen van Weleer, dat vanuit het gezichtspunt van de Nederlandse samenleving en cultuur het koloniale leven op een kolossaal sprookje leek.'

Liesbeth Dolk (red.): Atjeh. De verbeelding van een koloniale oorlog. Bert Bakker, 224 blz. ƒ39,50