De SRV-man rijdt altijd door

`Nederlanders zijn lieve mensen maar mijn gevoel zit in Japan'. De reactie van Kiyoko Landman-Ogawa kenmerkt de houding van veel van de mensen die Harriet Kroon aan het woord laat in Zo onbeleefd, Japanners in Nederland. Interviews met Nederlanders en Japanners geven een idee over het beeld dat beiden van elkaar hebben. Doembeelden over de volgzame Japanner en de gierige Hollander duiken op, maar Kroon toont in haar vlotgeschreven studie ook de moeilijkheden die ontstaan door schijnbaar eenvoudige misverstanden.

`Als Nederlanders met koekjes rondgaan, bergen ze meteen erna de trommel op. Die zou in Japan van 't begin tot 't laatst open staan. Sommigen denken dat Nederlanders maar een koekje geven uit zuinigheid. Dat is een verkeerde interpretatie. Het is geen gierigheid maar netheid: Nederlanders houden van opruimen.' Die opvatting toont de positieve kijk die veel Japanners hebben op de in hun ogen vaak bizarre gewoontes van hun nieuwe landgenoten.

Aan de kant van de Japanners worden net zo goed torenhoge clichés bewaarheid: `Als de stewardess (van of naar Japan) vraagt `Wilt u thee, koffie, sinaasappelsap, cola?' en de eerste reiziger bestelt sinaasappelsap, dan zeggen alle volgende Japanners ook sinaasappelsap – geen Japanner haalt het in zijn hoofd zich te onderscheiden van een ander.'

Toch vereisen Japanners vaak een handleiding. De kime komakai, de verfijnde service die Japanners bijvoorbeeld gewoon zijn van een luchtvaartmaatschappij, moet steeds expliciet aan de Nederlandse bemanning van de vlucht worden uitgelegd: `Als een Japanse passagier thee wil, weet een Nederlandse stewardess niet dat het water ongeveer tachtig graden moet zijn en dat ze het kopje niet helemaal vol moet doen. De passagiers weten dat de stewardess het niet opzettelijk verkeerd doet en dan is het zelfs charmant. Als ze maar glimlacht.'

Gelukkig gaat Kroon in haar analyse verder dan het opsommen van vastgeroeste ideeën: door anekdotes en feitenmateriaal geeft ze een antwoord op de vraag hoe de Japanse gemeenschap zich door de eeuwen heen in Nederland heeft ontwikkeld en zich ook nu nog weet te handhaven.

Dezelfde vraag stelde ook Karin Meeuwse zich in Het Huis van Han (Bruna, ƒ29,95). Vorig jaar publiceerde ze haar studie die, net als het werk van Kroon, vooral gebaseerd was op interviews. Door de historische band tussen Nederland en Japan kwam de eerste Japanner honderden jaren voor de eerste Chinees naar Europa. Vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Frankrijk krachten nodig had bij de constructie van loopgraven omdat de eigen manschappen in dienst geroepen waren, kwamen hele bootladingen Chinezen naar Europa. Zij die later in Nederland belandden vormen, net als de Japanners, een hechte gemeenschap met eigen voorzieningen. Maar de Japanners lijken in de organisatie van die gemeenschap veel verder te zijn geëvolueerd dan de Chinezen. Dat blijkt uit de oprichting van eigen Japanse scholen. Dat gebeurde om de kinderen van de werknemers van de Japanse bedrijven, die na enkele jaren vaak weer naar Japan terugkeren, de kans te geven volgens hun eigen systeem onderwijs te laten volgen zodat ze geen achterstanden zouden ondervinden na thuiskomst.

Harriet Kroon besteedt veel aandacht aan de historische banden tussen Japan en Nederland. Ze laste drie hoofdstukken in waarin ze omstandig de eerste aankomst van de Nederlanders in Japan beschrijft, ruim vier eeuwen geleden, en ze heeft aandacht voor interessante aspecten als de invloed van het Nederlands op het Japans. Zo zijn scheepstermen als `dekki' (dek) en `madorosu' (matroos) in het Japans rechtstreeks afkomstig uit het Nederlands. Ook voor de lezer die wat meer thuis is in deze geschiedenis weet de auteur de aandacht vast te houden door bijvoorbeeld in te gaan op de overtocht van een civetkat van Europa naar Japan – in volledig geprepareerde toestand.

Hier en daar wordt de toon wel wat al te docerend. Maar wanneer je amusante details leest over hoe Japanners Nederlanders herkennen in het buitenland (`ze dragen altijd wel iets in het oranje'), of over moeilijkheden in de communicatie met de SRV-man die steeds wegloopt als een Japanse mevrouw groenten wil bestellen, enkel omdat hij haar wuivende gebaar `Nederlands' interpreteert als `vandaag hoef ik niets', moet je wel geboeid verder lezen.

De vergelijking die Rudy Kousbroek in de inleiding bij Zo onbeleefd maakt met de traditie van de eerste landgenoten die honderden jaren geleden verslag deden van hun wedervaren in Japan, zoals Tsitsingh en Doeff, doet het werk van Harriet Kroon terecht alle eer aan. Met veel vermogen tot relativeren en met veel ruimte voor de betrokkenen zelf – de Nederlanders en de Japanners – weet ze een beeld te geven van hoe mensen die onverwacht en zonder keuze met elkaar geconfronteerd worden, elkaar zien en met elkaar omgaan. Zo toont Kroon niet alleen haar journalistieke vermogen om een onderwerp voor zichzelf te laten spreken, ze houdt met details en humoristische wetenswaardigheden de lezer tot de laatste pagina geboeid.

Harriet Kroon: Zo onbeleefd. Japanners in Nederland. Atlas, 392 blz. ƒ49,90