De nieuwe burger mag niet verder

Het woordje `Nut' is de kortste samenvatting van de Verlichting Nederlandse stijl, zo blijkt uit een breed panoroma van Nederland rond het jaar 1800. Maar door hun onwil om de politiek serieus in hun verhaal te betrekken, missen de auteurs belangrijke historische momenten.

Wie de sfeer van de Nederlandse Verlichting wil proeven, hoeft maar te kijken naar de namen van de talloze genootschappen uit die tijd. `Kunst wordt door arbeid verkreegen' bijvoorbeeld, of `Vlijt is de voedster der wetenschappen'. Of de `Maatschappij tot nut van 't algemeen', kortweg het Nut. Dat woordje Nut is de kortste samenvatting van het `Enlightenment Project' Nederlandse stijl.

Met 1800: Blauwdrukken voor een samenleving presenteren de literatuurhistoricus Joost Kloek en de historicus Wijnand Mijnhardt het voorlaatste deel van de NWO-reeks `Nederlandse cultuur in Europese context', de zogenaamde IJkpuntenreeks, waarin eerder delen verschenen over de jaren 1650, 1900 en 1950, en die in het najaar zal worden afgesloten met het deel Rekenschap 1650-2000, waarin de punten worden verbonden door lijnen. Op het eerste gezicht hadden de auteurs van 1800 niet de gemakkelijkste opgave. Waar 1650 het hoogtepunt markeerde van de Gouden Eeuw, 1900 een Tweede Gouden Eeuw genoemd kon worden en 1950 werd geanalyseerd met de oorlog achter de rug en de blik naar een betere toekomst, leek 1800 eerder een absoluut dieptepunt: midden in de Bataafs-Franse troebelen die in 1810 zelfs op het verlies van de Nederlandse onafhankelijkheid zouden uitdraaien en ook cultureel gezien niet bepaald een hoogtij. Zelfs het weer werkte niet mee: 1800 is het hartje van de zogenaamde Kleine IJstijd die duurde van 1750 tot 1850 en die ook in Nederland haar sporen naliet. Het ijs op de grote rivieren winter 1794-95 zorgde ervoor dat het Franse revolutieleger onder Pichegru de Republiek moeiteloos kon binnenvallen, terwijl de metershoog gestapelde schotsen op het Scheveningse strand de vlucht naar Engeland van stadhouder Willem V tot een hachelijke onderneming maakten.

De Europese context van de Nederlandse cultuur zag er omstreeks 1800 bovendien heel imposant uit. In Duitsland bijvoorbeeld begon de Romantiek heftig om zich heen te slaan. Steeds zelfbewuster keken de Duitsers neer op de Nederlanders met hun platte land, hun platte Duits en hun platte cultuur. Kloek en Mijnhardt hebben dus heel wat uit te leggen maar ze doen dat met verve. Een cultuur hoeft immers niet uit louter toppen te bestaan. Juist in het typisch Nederlandse verheerlijken van de middelmaat schuilt een eigen heroïek. Dat mag dan de heroïek van de polder zijn en van het maaiveld, ook anno 2001 kun je met idealen als cultuurspreiding en het nastreven van een hoog gemiddelde nog goed voor de dag komen. En al was Nederland dan het minst romantische land van Europa, Tieck en Novalis zochten op hun beurt juist het isolement en waren er helemaal niet op uit een hele cultuur te inspireren of te representeren.

Dat hoge gemiddelde zoeken de auteurs vooral in de bloeiende genootschapscultuur en de publicistiek van de Nederlandse Verlichting, die `nieuwe burgers' kweekte die deden aan zelfbeschaving (in dichtgenootschappen en leesgezelschappen), maar ook aan maatschappijverbetering en volksverheffing, zoals in de in 1777 gestichte Oeconomische Tak en het in 1784 opgerichte Nut. De in dergelijke genootschappen uitgebroede plannen over onderwijs, armenzorg en gezondheidszorg zijn de blauwdrukken uit de titel.

Moest 25 jaar geleden nog aan een ongelovig en ongeïnteresseerd publiek worden uitgelegd dat er ook in Nederland sprake was geweest van een heuse Verlichting, inmiddels is die gedachte gemeengoed. De beide auteurs beschouwen dit boek daarom allereerst als een synthese van het vele werk dat de afgelopen kwarteeuw is verricht door een hele generatie Nederlandse `dix-huitièmisten'. Het is wel een beetje jammer dat hun zucht naar synthese zo ver gaat dat ze zelfs afgezien hebben van annotatie en volstaan met literatuurlijstjes per hoofdstuk.

Dragende gedachte van dit boek – en van veel Verlichtingsonderzoek van de laatste decennia – is dat zich in de tweede helft van de achttiende eeuw, onder druk van de neerwaartse spiraal van verval waarin de Republiek gevangen leek, een nationale culturele gemeenschap formeerde, die zich een nieuw mens- en wereldbeeld aanmat en daarmee het verval van Nederland te lijf wilde gaan. Behalve bij de inhoud en herkomst van die verlichte `discoursen' wordt ook bij de verbreiding daarvan door middel van de drukpers uitvoerig stilgestaan. Hier geven de auteurs zich rekenschap van hun eigen langlopende onderzoek naar een – al dan niet vermeende – `leesrevolutie' in de achttiende eeuw: de gedachte van een groeiend lezerspubliek dat bijbel en prekenbundels liet liggen voor wereldser genres, met name de roman die een nieuw burgerideaal zou thematiseren. Inmiddels is de discussie over die leesrevolutie zo sophisticated geworden dat de doorsnee lezer allang door de bomen het bos niet meer ziet. Het verlossende woord wordt ook hier niet gesproken. Misschien zitten de auteurs nog te veel gevangen in hun oorspronkelijke uitgangspunten en zouden ze zich wat minder moeten blindstaren op bijvoorbeeld de roman en eerder moeten kijken naar de explosie van politiek drukwerk in de Patriottentijd van de jaren 1780, waarover hier alleen in kleinerende en bagatelliserende termen wordt gesproken.

De vorming van een nationale culturele gemeenschap na 1750 betekende ook een `nationalisering' van de cultuur, zoals onder meer bleek uit de toenemende aandacht voor de eigen taal en letteren. Maar aan culturele vernieuwing werden duidelijke grenzen gesteld door de schaal van Nederland. De markt van het eigen taalgebied was klein, te klein voor gespecialiseerde tijdschriften en ook zeer conjunctuurgevoelig. Als de politiek in de mode was, leed de literatuur daaronder. Er was dan te weinig vraag naar bellettrie en er waren eenvoudig te weinig schrijvers om alle genres tegelijk te bedienen. De omvang van het nieuwe culturele publiek omstreeks 1800 wordt door Kloek en Mijnhardt becijferd op 5 à 7 procent van alle huishoudens.

Een `radicaal modern burgerideaal', moreel gefundeerd, cultureel opgetuigd en met een grote maatschappelijke betrokkenheid ingekleurd, was volgens de auteurs kenmerkend voor de Nederlandse Verlichting. We komen die nieuwe burgers in dit boek overal tegen: als genootschappers, als lezers van en vaak ook schrijvers in de zogenaamde `spectatoriale' weekbladen waarin het verlichte gedachtegoed rondzong. We zien ook hoe protestantse dissenters (remonstranten, doopsgezinden en lutheranen), die tijdens de Republiek tweederangsburgers waren, uit hun schuilkerken kwamen en met opgeheven hoofd naar hun genootschappen stapten, waar ze op voet van gelijkheid verkeerden met andere verlichte geesten. Bij de katholieken lag dat wat ingewikkelder want hun ontvankelijkheid voor de Verlichting werd in protestantse ogen ernstig gecompromitteerd door de spreekwoordelijke afgoderij van de kerk van Rome, die nu eenmaal geen vrij onderzoek tolereerde. Toch deelde ook het katholieke volksdeel, zij het op eigen wijze en in een ander tempo, in de aspiraties van de Nederlandse Verlichting.

Maar dit radicaal moderne Nederlandse burgerideaal kende blijkbaar ook grenzen. Wanneer het gaat om politieke macht en medezeggenschap wordt die nieuwe burger door de auteurs plotseling en vrij hardhandig een halt toegeroepen. En wat aanvankelijk vooral een brede – en ook wel wat breedvoerige – synthese is van het gedachtegoed, de sociabiliteit en de publicistiek van de Nederlandse Verlichting, gaat dan verdacht veel op een these lijken die in de slothoofdstukken van het boek zelfs erg apodictisch wordt geformuleerd.

Er wordt dan een scherpe scheiding geconstrueerd tussen de culturele en de politieke sfeer die erg onwerkelijk aandoet. Want al genietend van de verlichte vergezichten en blauwdrukken van Kloek en Mijnhardt, zou je bijna vergeten dat we de late achttiende eeuw in Nederland tot dusver vooral kenden als een tijd van grote politieke onrust, oorlog en revolutie: de Vierde Engelse Oorlog, de Patriottenbeweging van de jaren 1780, de door een Pruisisch leger afgedwongen Oranje-restauratie van 1787 en de door de Fransen mogelijk gemaakte Bataafse Omwenteling van 1795, die een opeenvolging van regimes en een vrijwel permanente oorlogssituatie inluidde die duurde tot 1813-1815. De idealen, praktijken en problemen van de Nederlandse Verlichting zijn in elk geval vanaf 1780 onlosmakelijk verbonden met die politieke actualiteit. Een genootschappelijke discussiecultuur alleen – hoe indrukwekkend ook – kon hier geen soelaas bieden.

Veel nieuwe burgers zagen dat kennelijk ook zo, want in de Patriottentijd van de jaren 1780 probeerden ze het Nederlandse Enlightenment Project, dat op zichzelf politiek neutraal was, te annexeren en te politiseren door te streven naar politieke macht en medezeggenschap, allereerst op stedelijk niveau. Hun politieke ambities waren echter – aldus de auteurs – bij voorbaat tot mislukken gedoemd omdat ze opgescheept zaten met een `verkeerd verleden': de vereerde `oude constitutie' en de gefragmenteerde structuur van de Republiek die hen dwongen tot een uitzichtsloze politiek van Grondwettige Herstelling van dat vermolmde bestel.

Als dat waar is, doet het wat merkwaardig aan dat ze de Bataafse unitariërs van na 1795, die streefden naar een nieuwe staatsinrichting die juist `één en ondeelbaar' was, op hun beurt ook opzadelen met een verkeerd verleden: ditmaal het ideaal van de eenheidsstaat dat ze tijdens hun ballingschap in Frankrijk zouden hebben afgekeken van de Franse revolutie die, naar het bekende woord van Gerrit Paape, voor hen de `Hogeschool van Patriotismus en Revolutie' was. Natuurlijk speelde bij het Bataafse eenheidsstreven dat Franse voorbeeld mee. Maar net zo belangrijk was de inheemse kater van de mislukte Patriottenrevolutie van 1787, toen het revolutionaire elan over een groot aantal lokale bewegingen versnipperd was. Het is een ernstige vertekening om dat unitarisme vooral te zien als een Frans importartikel. Daarvoor werd het in de Nationale Vergadering van 1796-1797 veel te breed gedragen, niet in de laatste plaats wegens het Hollandse verlangen naar vermenging van alle provinciale schulden. Streven naar een staat die `één en ondeelbaar' was, werd zelfs een soort keurmerk voor ware Bataafs-revolutionaire gezindheid. Bovendien is het opvallend dat degenen die tussen 1787 en 1795 in Franse ballingschap hadden verkeerd – anders dan Kloek en Mijnhardt suggereren – in de Bataafse politiek na 1795 vaak juist geen prominente rol speelden.

De onervarenheid van de Bataafse politici die in 1795 aan de macht kwamen heeft in de oudere historiografie vaak de lachlust opgewekt. Van auteurs die de geboorte van een nieuwe burger vieren, zou je iets meer sympathie verwachten bij diens eerste stapjes op het politieke toneel. Daarvan is evenwel geen sprake. De invoering van de eenheidsstaat door de Staatsregeling van 1798 – algemeen beschouwd als een van de belangrijkste verworvenheden van de Bataafse revolutie, doorwerkend tot de dag van vandaag – wordt hier afgedaan als een `funeste beoordelingsfout die het toch al moeizame hervormingsproces de nekslag heeft toegebracht'.

De oude wijsheid dat je geen omelet kunt maken zonder eieren te breken, is aan deze auteurs niet besteed. Ze hebben nauwelijks oog voor de hectiek van de Bataafse revolutie, voor het al twee jaar durende onvermogen van de Bataven zichzelf een constitutie te bezorgen, voor de Franse druk om eindelijk eens orde op zaken te stellen en voor het effect van de dramatische nederlaag van de vloot bij Kamperduin in oktober 1797.

Je hoeft echt geen fan te zijn van de radicale unitariërs die in januari 1798 door een staatsgreep aan de macht kwamen – op z'n Nederlands overigens: zonder bloedvergieten – om toch enig begrip te kunnen opbrengen voor hun actie, zoals meer gematigde Bataven dat – gezien de constitutionele impasse waarin het land verkeerde – vaak wel degelijk konden. In een langer tijdsperspectief markeert hun actie de belangrijkste doorbraak in het Nederlandse staatsvormingsproces sinds de Opstand, een historisch moment, een echt ijkpunt zou je haast zeggen.

Mijnhardt en Kloek beperken zich echter tot het uitdelen van slechte rapportcijfers en dat doen ze ook bij de tweede staatsgreep van 12 juni 1798. De plegers van die coup – dat waren nog eens tijden in Den Haag: twee staatsgrepen binnen vijf maanden! – wordt verweten dat ze niet de `politieke moed' hadden om de constitutie in decentrale zin te wijzigen. Dat het hun niet aan politieke moed ontbrak bewezen ze echter wel door het plegen van die staatsgreep zelf. En dat ze de Staatsregeling niet terugdraaiden liet juist zien dat ze het met de essentie daarvan – de eenheidsstaat – eens waren, al was de vormgeving dan wat radicaal en wel erg centralistisch uitgevallen. Hun bezwaar tegen de coupplegers van januari gold de manier waarop die zich als ordinaire baantjesjagers en zakkenvullers hadden ontpopt en vooral dat ze er niet in waren geslaagd hun staatsgreep `nationaal te maken'.

De onwil van de auteurs om de politiek serieus in hun verhaal te betrekken, wreekt zich echter het meest bij de Nationale Vergadering, Nederlands eerste, volgens algemeen (mannen)kiesrecht gekozen parlement dat in dit boek, enkele korte passages daargelaten, schittert door afwezigheid. Die omissie is temeer onbegrijpelijk omdat de Nationale Vergadering in veel opzichten het politieke vervolg was van de genootschappelijke debatcultuur en juist daarom hier speciale aandacht zou verdienen. In de Nationale Vergadering was de verbeelding aan de macht. Er is over de Nationale Vergadering vroeger veel lelijks gezegd. Die kritiek kwam er vooral op neer dat de nieuwbakken Bataafse politici er teveel een praathuis van hadden gemaakt, een soort professorenparlement, en te weinig daadkracht hadden getoond. Maar misschien zit daar wel het probleem voor de IJkpuntauteurs. Het zou wel eens kunnen dat de geen-daden-maar-woorden genootschapstraditie van de Nederlandse Verlichting de Nationale Vergadering fataal is geworden. En misschien dat Mijnhardt en Kloek er maar liever het zwijgen toe doen dan deze, in het licht van hun geïdealiseerde genootschapsperspectief onaangename, conclusie te trekken. Ze hoeven dan ook niet te signaleren dat heel wat volksvertegenwoordigers van 1796 juist voortkwamen uit het genootschaps- en tijdschriftencircuit van de Verlichting. Ook dat was de schaal van Nederland.

Maar hoeveel kritiek je ook kunt hebben op deze geforceerde antipolitieke interpretatie van de Bataafse tijd, er valt in dit vuistdikke boek gelukkig nog veel te genieten. Behalve voor het brede panorama van de Nederlandse Verlichting en de zorgvuldige ontleding van de literaire cultuur, geldt dat bijvoorbeeld voor de originele `reportages' van Eveline Koolhaas, een reeks korte essays waarin de visuele cultuur wordt geanalyseerd en waar het breukvlak van de achttiende en negentiende eeuw op het leven wordt betrapt. Prompt blijkt dan dat cultuur en politiek vaak ten nauwste samenhingen. Zo geven de schitterende klederdrachtprenten van Evert Maaskamp een intrigerend samenspel te zien van regionale en nationale identiteit, resulterend in een `spreekend schilderij van het vaderland', zoals het in een advertentie heette. Bij de kartografische hoogstandjes uit die tijd komt ook de schaal van Nederland nog even ter sprake. Die bleek mee te vallen. Toepassing van de nieuwste, uit Frankrijk geïmporteerde, techniek van driehoeksmeting wees uit dat Nederland net een maatje groter was dan men gedacht had.

Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt: 1800. Blauwdrukken voor een samenleving. Sdu, 616 blz. ƒ99,17