Camera obscura

In een onbewoonbaar verklaard huisje sliep ik achter de gesloten deuren van een bedstee. Ik ontwaakte, opende mijn ogen en zag toen op de witgekalkte planken aan mijn voeteneinde iets bewegen, in kleur nota bene. Het bleef bewegen.

Toen kwam de herkenning. Wat ik zag was de witte voetbrug van het dorp, ondersteboven en in spiegelbeeld, waar iemand overheen liep.

Door de ontroering was ik klaar wakker. Er zat een gat in het halfsteens muurtje aan het hoofdeinde van de bedstee, waardoor het dorpgezicht zich projecteerde. Het gaatje zat tussen twee bakstenen, die eerst met leem, later met schelpenkalk en ten slotte met cement waren gevoegd. Tussen drie generaties specie door vertoonde het dorp zich.