Brandschattende legers

Oorlog was in West-Europa een alledaags verschijnsel. Ons land was vaak in een oorlog verwikkeld: in de zestiende eeuw waren er 85 oorlogsjaren, in de zeventiende eeuw kwam dit aantal uit op 73 en in de daaropvolgende eeuw was ons land in `maar' 26 jaren bij een oorlog betrokken. De belangrijkste oorlogen sinds 1500 waren de Gelderse oorlogen, de Tachtigjarige Oorlog, de Engelse (zee)oorlogen en, ten tijde van Lodewijk XIV, een serie oorlogen met de Fransen.

Gedurende deze lange reeks van oorlogsjaren was vooral het platteland in het oosten en het zuiden het kind van de rekening. Dankzij de befaamde Waterlinie kon het rijke gewest Holland zich bij oorlogsdreiging verschuilen achter een muur van water. De vijandelijke legers, veelal ongedisciplineerde huurlingen die zich weinig aantrokken van de orders van hun broodheren, kregen min of meer vrij spel om de landgewesten onveilig te maken.

Het belangrijkste probleem was het voeden van en het onderdak verschaffen aan de doortrekkende troepen. De meeste soldaten werden gedurende hun verblijf ingekwartierd bij boeren en burgers. Die dienden dan te zorgen voor voedsel en benodigdheden als hout, vuur, kaarsen, een slaapplaats, een bord en een kookketel; niet zelden moest ook de vrouw of dochter des huizes eraan geloven.

In de loop van de zeventiende eeuw werd steeds beter gereglementeerd hoeveel de ingekwartierde soldaten mochten eisen. Vanaf 1704 had een soldaat recht op anderhalf pond roggebrood, een half pond boter of spek en een kan bier. Hiervoor moest hij in contant geld drie stuivers betalen. Een ruiter kon voor zijn paard nog eens zestien pond hooi en drie bossen stro eisen, waarvoor hij nog eens drie stuivers moest neertellen. Dit lijkt redelijk, maar voor veel bewoners waren deze eisen moeilijk op te brengen. De legerleiding was zich van deze precaire situatie bewust, zodat in de orders stond dat de soldaten genoegen moesten nemen met datgene wat hun werd voorgezet, `soo goedt en quaadt als het den Huysman daar hij gebilleteert [ingekwartierd] sal wesen, sal hebben'.

Een inkwartiering leidde ook tot requisities, een vordering van goederen, personen en diensten door het militair gezag. Met grote regelmaat – ook in vredestijd, maar vooral in tijd van oorlog – werd van de boeren geëist dat ze gratis goederen en diensten leverden. Deze bestonden vooral uit de levering van hout, stro en haver, uit vervoersdiensten en graafwerkzaamheden. Het laten aanleggen van fortificaties (of het slechten daarvan) was een geliefd tijdverdrijf van de officieren. Hierbij werd op een man meer of minder niet gekeken: in 1673 werden 20.000 boeren opgeroepen om versterkingen rond Maastricht aan te leggen. Twee jaar later werd meer dan het dubbele aantal opgeroepen om ze weer op te ruimen. De oproep kon zeer ongelegen komen: in 1675 zou het geleid hebben tot een hongersnood omdat de mankracht ontbrak om de oogst binnen te halen.

De plattelandsbevolking had eigenlijk maar één mogelijkheid om het verwoestende effect van oorlog te minimaliseren: het betalen van contributies aan de vijand. Hierbij ging het om een soort afkoopsom om plundering te ontlopen. Meestal stelde de vijand de hoogte van de contributie vast, waarna deze over de verschillende bestuurlijke eenheden van het gebied werd omgeslagen. Na betaling verleende de contributieheffer een vrijgeleide (een `sauvegarde'). Dit was een garantie dat de schade door oorlogshandelingen `beperkt' zou blijven. In het begin (de eerste contributie-eisen dateren uit 1574) droeg de contributie een ad hoc karakter: het dorpsbestuur kocht, wanneer er een legerbende in de buurt was de dreigende plundering af. Maar in de loop van de zeventiende eeuw werd deze praktijk gereglementeerd: de vijand mocht zoveel contributie eisen als de soeverein aan gewone belastingen inde voordat de oorlog begon. Ondanks de informele spelregels, waren het echter niet zozeer de mooie voorschriften als wel de kracht van de wapenen die uiteindelijk bepaalde hoeveel er moest worden betaald.

De geterroriseerde plattelandsbevolking hoefde, indien men contributieplichtig was, niet op clementie van de Staten-Generaal te rekenen: de normale belastingen dienden stipt betaald te worden. Daartoe werd in 1688 een plakkaat uitgevaardigd waarin – op straffe van een zware boete, oplopend tot duizend gulden – het verboden werd om het met de vijand op een akkoordje te gooien. De dorpsbesturen moesten zelf zorg dragen voor hun verdediging. Voor eigen rekening moesten ze zorgen voor de monstering en bewapening van alle mannen van 16 tot 60 jaar met geweren (`roers en halve pieken'), wachtposten uitzetten en de toegangswegen afsluiten met slagbomen en landweren (een aarden wal met een droge gracht ervoor). Bij onraad moesten overdag de klokken geluid en 's nachts vuren aangelegd worden. Herbergiers werd het verboden om meer dan vier vreemde personen te laten overnachten zonder de dorpsbestuurders daarvan in kennis te stellen.

In de achttiende eeuw werden oorlogen aanmerkelijk minder destructief. Regeringen streefden doelbewust naar het minimaliseren van de oorlogslast. Hierbij speelden niet humane motieven de hoofdrol, maar het besef dat oorlogen het vermogen van de bevolking aantasten om de belastingen te voldoen. Soldaten werden steeds meer in barakken gehuisvest, waardoor inkwartiering minder noodzakelijk was. Deze ontwikkelingen kregen rond het midden van de 18de eeuw hun beslag.

De betrekkelijke rust aan het front die zo ontstond, was echter maar van korte duur. De woelingen van de Franse revolutie en de napoleontische oorlogen zouden spoedig roet in het eten gooien. In deze hectische jaren – van de vijftienduizend Nederlandse jongens die in 1812 aan de veldtocht naar Rusland deelnamen, keerden er maar enkele honderden terug – rustte de oorlogslast vooral op de schouders van de soldaten zelf. Wellicht dat daardoor Nederland in de negentiende eeuw slechts 13 jaren in oorlog was, waarvan 6 op het grondgebied van het huidige Nederland.

J. van Gerwen en M. van Leeuwen, Zoeken naar zekerheid. (4 dln.; Den Haag/Amsterdam, 2000)