Bij voorbaat postuum

Met deze zin begint Laatste adem, de vierde roman van Edzard Mik: `Uit zo'n nacht zou de wereld nooit ontwaken; het duister geen dromerige, met glinsterdraad doorstikte sluier die elk moment door het ochtendlicht kon worden weggeblazen, maar een uitwaseming van het zompige plantsoen zelf, zijn diepste grond'. Het is typisch een zin die om twee keer lezen vraagt, in gedachten struikel je even, als over een iets te hoge drempel.

Bij veel schrijvers zou zo'n eerste zin wijzen op onhandigheid. Zo niet bij Edzard Mik, want het is inderdaad een soort drempel die je als lezer over moet. Pas na die aanvankelijke hapering ben je rijp voor het verhaal, dat wordt verteld vanuit het gezichtspunt van Catherina, een uit Griekenland afkomstige jonge vrouw, die zojuist is geopereerd aan een hersentumor en die ervan overtuigd is dat zij niet lang meer te leven heeft.

Aan de andere kant van de drempel, háár kant, begint een merkwaardige wereld, bevreemdend als een schilderij van De Chirico. Of het nu nacht is of dag, voor Catherina heeft het universum al bij voorbaat postume trekken gekregen; het is veranderd in een soort schimmenrijk waar dromen en herinneringen in elkaar overvloeien. De aangekondigde dood maakt alles unheimlich, voor zover het dat al niet was vanwege haar leven als Griekse in het vreemde `Laagland'. Het enige wat haar nog gaande houdt is haar `missie', haar zelfbedachte opdracht om als een moderne Euridice haar Orfeus te redden uit de `onderwereld'.

Dat klinkt behoorlijk raadselachtig, maar wie Miks vorige romans heeft gelezen (in het bijzonder De bouwmeester uit 1995 en Yak uit 1996), weet dat raadsels diens specialiteit zijn. Raadsels die het meestal zonder oplossing moeten stellen. Ze krijgen alleen wel een overtuigende schijn van vanzelfsprekendheid, dankzij de heldere, bijna zakelijke, aan Bordewijk en Kafka herinnerende stijl. In Laatste adem is het eerder andersom. De raadselachtigheid zit nu in de droomachtige, hallucinatoire stijl; de raadsels van het verhaal daarentegen worden op één na keurig opgelost.

De Orfeus die door Catherina gered moet worden (een omkering overigens van de oorspronkelijke mythe) is haar chirurg Angerman. Ook hij heeft iets van een levende dode, omdat hij in het verleden niet de moed heeft opgebracht om samen met zijn dodelijk zieke echtgenote zelfmoord te plegen. Sindsdien verkeert hij in een onderwereld, ook in de niet-mythische betekenis van het woord, betrokken als hij is bij een bende die in organen handelt. Uit die sinistere onderwereld wil Catherina hem redden.

Wat volgt is een wonderlijk verhaal over een gedwongen liquidatie die Angerman laat mislukken, waarna hij voor straf zelf een kogel in zijn borst krijgt, terwijl Catherina daarvoor de schuld op zich neemt. Er komt een rechtszaak van, waarbij Catherina wordt vrijgesproken, nadat de rechter-commissaris van haar vriend Matt de ware criminele toedracht te horen heeft gekregen. Angerman, die de kogel overleeft, belandt op zijn beurt achter de tralies en dan weet Catherina hem alsnog, op zijn eigen verzoek, naar die andere onderwereld te helpen door een dodelijke pil de gevangenis binnen te smokkelen.

Wat hen bindt – tot één keer in bed toe – is hun gedeelde doodsdrift. Maar Catherina blijkt niet aan haar tumor te sterven; ze wordt zelfs zwanger en in een epiloog richt zij zich vijftig jaar later tot haar dochter, van wie het onzeker is of zij nu een kind is van Matt of van Angerman. Een melodramatisch einde, dat weliswaar één raadsel intact laat, maar pas nadat alle andere zijn opgelost.

Ook de roman als geheel heeft veel van een melodrama, door het onwaarschijnlijke gegeven en door de opgeschroefde dramatiek ervan. Maar zoals de rechter-commissaris zegt over het verhaal dat hij van Matt heeft vernomen: `Het is zó onwaarschijnlijk dat het wel waar moet zijn'. In de rechtszaal komt een verdachte daarmee weg. Minder makkelijk is dat in een roman. Want wat heeft dit soort onwaarschijnlijke waarheid daar te betekenen?

Het zou dwaasheid zijn deze roman te lezen als een realistisch relaas over wat een hersentumor in iemands gedachten kan aanrichten. Zo'n benadering doet geen recht aan het boek en evenmin aan de charme die het bezit, zijn melodramatische inhoud ten spijt. Net als in een opera (Catherina, Matt en ook Angerman wonen niet toevallig een uitvoering van Don Giovanni bij) wordt het verhaal overvleugeld door de manier waarop het verteld wordt.

Het melodrama neem je daardoor voor lief en je laat je betoveren door de suggestieve stijl en de beelden – het literaire equivalent van wat muziek en zang zijn in een opera. Eenmaal over de drempel, kom je als lezer terecht in een kunstig geheel dat het moet hebben van de sfeer en de stemming die Mik met bewonderenswaardig meesterschap weet op te roepen en vast te houden.

Bij zijn vorige boeken kwam daar ook nog een niet geringe dosis verbazing bij, over de vele onopgeloste raadsels die de lezer met lege handen achterlaten. Voor lege handen hoeft ditmaal niemand bang te zijn, dankzij het melodrama waarin vrijwel alle raadsels worden opgelost. En de verbazing? Die kan zich in Laatste adem gevoeglijk beperken tot het feit dat het desondanks geen moeite kost om van dit bizarre hersenspinsel onder de indruk te raken.

Edzard Mik: Laatste adem. Contact, 175 blz. ƒ34,90