Aan het strand van Hörendesjö

In een van zijn gedichten vertelt de Zweedse dichter Lars Gustafsson hoe hij op een begrafenis zijn oom Sune ontmoette. Het was pas de tweede keer dat neef en oom elkaar zagen en dat verklaart waarom hij hem met enige nieuwsgierigheid gadeslaat. Oom Sune had `een schitterend markant hoofd', zo merkt hij op, in de vertaling van J. Bernlef. En daar blijft het niet bij. Dit was `een van die hoofden / die je graag in de hand zou willen / houden en bedachtzaam ronddraaien, / zelfs als schoongespoelde schedel./ Zonderlinge bijgedachte. Is neef Lars misschien hersendokter van beroep, of schedelkundige? Archeoloog misschien? Of is hij door de omstandigheid van een begrafenis op vanitasgedachten gebracht? Intussen vraagt oom Sune gewoon maar eens wat zijn neef tegenwoordig zoal doet. Het lijkt erop dat neef Lars zich door de vraag wat in het nauw gebracht voelt, alsof hij de waarheid liever wil verzwijgen. Hij voelt zich `gevangen in het midden van een regenachtige zomer'.

Op de vraag van zijn oom antwoordt hij dat hij `een steenkist' aan het bouwen is, `aan het strand van Hörendesjö.' En daar voegt hij voor ons nog aan toe: `Wat die dag de zuivere waarheid was / ik werkte er zelfs al een paar weken aan / om zo aan iets anders te ontsnappen.' Het mag de zuivere waarheid zijn, maar hij weet blijkbaar zelf ook wel dat het eerder klinkt als een uitvlucht, een verzinsel uit nood geboren, met een onbedoeld humoristisch effect. Een steenkist bouwen? Een kist lijkt mij toch in de eerste plaats iets van hout, of van metaal desnoods, maar niet van steen. Of zou het niet om een kist ván, maar een kist vóór stenen gaan? Altijd goed om bij de hand te hebben: een houten bak vol stenen, al dan niet van een deksel voorzien. Komt altijd van pas, zeker aan het strand. Het moet een voorrecht zijn daar midden in een regenachtige zomer wekenlang in je eentje aan te mogen

bouwen.

Een steenkist leek mij vooralsnog net zo'n handig ding als de zandschaaf, de waterzaag, de strangschaar, de spijkerzeef, de daghamer of de couponhark: fantoomvoorwerpen waaraan of waarmee wekenlang onzinhandelingen verricht kunnen worden, bij voorkeur op onvindbare locaties. Een steenkist bouwen op het strand van Hörendesjö: het moest wel net zo opwindend zijn als het stratenmaken en putjesscheppen op zee, niet ver uit de kust van Nergensland, onder toezicht van de admiraal van de Zwitserse vloot. De dichter leek zijn loze vondst hier niet te gebruiken om grappig te zijn, maar om iets te verhullen, `om zo aan iets anders te ontsnappen.' Het aardige is dat oom Sune mee gaat in het verzinsel. `Een steenkist maken. Da's zwaar' zegt hij vol begrip. En nog aardiger is dat neef Lars dan niet meer terug kan. Hij moet gaan geloven in zijn eigen uitvlucht. Eerst deelt hij maar eens een sneer uit aan het adres van al die mensen die, anders dan oom Sune, niet eens weten wat een steenkist is: `de meeste mensen zijn volstrekt onkundig / waar het steenkisten betreft.' Vervolgens komt hij met een of ander oud naslagwerk op de proppen, het Nordisk familjebok, tweede druk, uit 1904 alweer, dat `natuurlijk zoals altijd opheldering verschaft.' Een steenkist zou niet, zoals sommige mensen schijnen te denken, een of ander praalgraf in een oude kathedraal zijn, maar `een van stevige planken / in elkaar gezette bak die naar de plek in zoet water / gesleept wordt waar men hem hebben wil.' Men vult de bak met stenen en laat hem zinken en aldus (`hout rot niet onder water') verkrijgt men een degelijk fundament voor bijvoorbeeld een kade of een brug. Het staat er allemaal alsof Gustafsson daadwerkelijk een lemma uit het familjebok citeert, maar waarom doet hij al die moeite? Hij zal, als hij al wekenlang aan het bouwen is, toch zelf ook wel weten wat een steenkist is? En wat moet hij eigenlijk met zo'n bak? En waarom zit hij ermee op het strand, bij de zoute zee, als het ding kennelijk voor zoet water bedoeld is? Gaat het hier dus niet eerder om een symbolische kist, waaraan symbolisch wordt gebouwd? Het slot van het gedicht lijkt daar wel op te wijzen. De zware stenen waarmee hij zijn kist gedurig vult worden een beeld voor de lasten die een mens tijdens zijn leven te dragen krijgt: ieder jaar meer `zware stenen aan boord', ieder jaar `meer dode vrienden, / dode familieleden, dode verwachtingen'. De steenkist wordt een loodzwaare neerslag van een leven, een soort stenen schaduw, met voor de hand liggende bijbetekenissen: een kuil, een graf, zelf gegraven. Gustafsson beweert in de laatste regels dat de kist en hij `niet helemaal identiek' zijn, maar veel zal het niet meer schelen. Waarom heeft hij er anders voor gezorgd dat het ding op een afgelegen strand ligt, `met, zoals dat heet, ``het oogmerk ontdekking te ontlopen'''? Hij wil de dood op een dwaalspoor brengen.

Als een lege bak komen wij ter wereld, maar als een volgestorte steenkist zullen wij sterven. Ooit zal een grotere macht ons dan vinden en meenemen om elders afgezonken te worden en zonder te rotten als fundament te dienen voor iets dat groter en duurzamer is dan wijzelf. Zoiets lijkt hier de bewering te zijn – en het is niet moeilijk om in deze voorstelling van zaken en in deze schrale troost allerlei christelijke, platonische, symbolistische en trouwens ook socialistische gedachten terug te vinden.

Dit voorjaar verscheen het 92ste nummer van het tijdschrift Raster. Het was gewijd aan het curieuze genre van het nuttige gedicht. Tussen dichterlijke verhandelingen over hoe een ui in de oven te poffen en hoe te zoenen op straathoeken trof ik daar opeens, zonder verder commentaar, het lange gedicht van Gustafsson aan. Kennelijk was het opgevat als een handleiding, een serieuze gebruiksaanwijzing voor het zelf bouwen van een steenkist. Het was een vreemde ervaring om het gedicht dat ik altijd voor een halve grap en een halve uitvlucht had gehouden, en ook nog eens voor een welbewuste allegorie, nu teruggebracht te zien tot een toelichting bij een bouwpakket. Alsof je in een reclamefolder van de Praxis opeens een aanbieding voor de couponhark aantreft of bij de Gamma onverhoeds tegen de schappen met waterzagen oploopt.

Hoe nu? Ik bleef twijfelen tussen allegorie en gebruiksaanwijzing, symbolische en echt zware stenen. Het vreemde was ook nog eens dat het fantasiewoord volgens Van Dale wel degelijk bestond, in een verwante betekenis. Vakterm uit het dijkwezen: `de met steen of puin gevulde ruimte tussen een aaneengesloten paalregel en een op geringe afstand daarachter geheide damwand.' Maar daar stond weer tegenover dat ik het woord even later opnieuw tegen kwam, in een nieuwe, niet in Van Dale of het WNT vermelde betekenis: als de onder archeologen gangbare naam voor een bepaald type in de grond uitgegraven eenvoudige stenen grafkelder, uit de tijd van de hunebedden. Deze oude betekenis leek weer te pleiten voor een meer allegorische lezing. Wat neef Lars in de regen op het strand van Hörendesjö dan ook precies mocht doen – hij stond daar in ieder geval ook, al dan niet symbolisch, zijn eigen graf te graven. Zwaar werk – dat had oom Sune met zijn lekker in de hand liggende schedel meteen al goed gezien.