Winkeldochters uit Rusland

De moderne Russische literatuur is in de Nederlandse boekwinkels sinds het einde van het Gorbatsjov-tijdperk veroordeeld tot een winkeldochterbestaan. Na het succes van Anatoli Rybakovs Kinderen van de Arbat (1991) – een roman waarin de Stalinterreur voor kleuters wordt verklaard – geniet vrijwel geen enkele moderne Russische schrijver populariteit. Toch zien sommige uitgevers er nog brood in om met enige regelmaat Russische literatuur te vertalen, al is van enig verkoopsucces zelden sprake. Zo verricht de Bredase uitgeverij De Geus pionierswerk met onder meer de romans van Ljoedmila Oelitskaja, een schrijfster die vaak wordt vergeleken met klassiekers als Tsjechov en Tolstoj.

Het Groningse tijdschrift de Augiasstal neemt geen genoegen met dit noodlot van de moderne Russische literatuur vanaf de revolutie van 1917. Regelmatig publiceert het prachtstukken over dichteressen als Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva of de jetsetschrijfster Zinaïda Hippius.

In het laatste nummer wordt de vijftigste sterfdag van een ander literair kanon gevierd: Andrej Platonov (1899-1951), schrijver van surrealistische meesterwerken als Tsevengoer en De bouwput. Platonov is de personificatie van de Stalintijd. Hij verwierf een grote faam in de jaren dertig met zijn literaire ontledingen van de nieuwe Sovjet-samenleving, wat in die tijd een gevaarlijke onderneming was. In 1946 werd hem dan ook het zwijgen opgelegd toen een van zijn korte verhalen hem de haat opleverde van de belangrijkste criticus van de Literatoernaja gazeta.

De daaropvolgende jaren mocht Platonov niet meer publiceren en verrichtte hij alleen nog maar wat redactiewerk. Alleen omdat hij toen al aan tbc leed, belandde hij niet in een strafkamp, al zaten er regelmatig leden van de staatsveiligheidsdienst aan zijn ziekbed om te overwegen of dat niet alsnog moest gebeuren.

De Augiasstal schrijft dat Platonov kort na zijn dood in het buitenland vrijwel onbekend was. Het was aanvankelijk dan ook moeilijk om diens literaire nalatenschap te kunnen bestuderen. De afgelopen twintig jaar kwam daar verandering in en regende het Platonov-studies. `Platonov-deskundige te zijn is nu zelfs modieus in de literatuurwetenschap', aldus de Augiasstal in een artikel, waarin behalve bij het leven van de schrijver zelf ook uitvoerig wordt stilgestaan bij de betekenis van diens werk.

Ook drukt het tijdschrijft de toespraak af die de beroemde Franse Sovjetoloog Alain Besançon begin dit jaar op de Franse ambassade in Moskou hield bij de uitreiking van de Grote Prijs van de Franse Academie van Morele en Politieke Wetenschappen aan schrijver Alexander Solzjenitsyn. Besançon benadrukt hoe groot de rol van deze Russische schrijver is geweest bij het openbaren van de misdaden, die zijn begaan in naam van het Sovjet-communisme. Volgens hem heeft Solzjenitsyns Goelag Archipel – in het Westen verschenen in de jaren 1972-'75 – een definitieve bres geslagen in de Sovjet-propagandamachine, die mede dankzij de steun van talrijke West-Europese intellectuelen, jarenlang succes kon hebben.

In het eveneens in de Augiasstal afgedrukte dankwoord van Solzjenitsyn betoont deze zich even cynisch als altijd over de toekomst van Rusland. En hoewel ik het zelden met Solzjenitsyns visie eens ben, moet ik toegeven dat hij dit keer een vlijmscherp beeld geeft van de chaos waarin zijn geboorteland verkeert. Solzjenitsyn heeft het over roofzuchtige komsomol-leiders, politieke avonturiers en economische bandieten.

Alleen op grond hiervan al, kan iedereen begrijpen dat er de komende jaren een stroom van goede literatuur uit Rusland moet komen. Want nog altijd geldt dat je uit een roman meer over een samenleving te weten kunt komen, dan uit welk geschiedenisboek ook.

De Augiasstal, jaargang 8, nummer 39. ƒ 6,50. Inl.: (050) 5256783