Trou Moet Blycken

Waarom Elisabeth Eybers, die nu veertig jaar in Nederland woont, nooit eens in het Nederlands is gaan dichten? Zulke domme vragen hoor je niet te stellen. Toch bezat Elisabeth Eybers zelf eens de hoffelijkheid op die domme vraag te antwoorden. Meteen al aan het begin van haar verblijf in Nederland, in een lezing uit 1963. `Af en toe vraagt iemand me of ik later misschien in het Nederlands zal gaan schrijven, als ik lang genoeg in Holland heb vertoefd om de taal goed te leren beheersen. Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Afrikaans is niet alleen de taal van mijn bewustwording, ik heb bovendien het stellige gevoel dat het poëtisch bruikbaarder is dan het Nederlands, vooral vanwege zijn grotere soepelheid en bondigheid. Alleen al het feit dat je in het Afrikaans doorgaans minder lettergrepen nodig hebt dan in het Nederlands om precies hetzelfde te zeggen betekent in prosodisch opzicht winst.'

De onvergetelijke beginregels van dit gedicht –

My are tintel en my longe hyg

om weer die droë, dun lug in te suig

– geven meteen het gelijk aan van haar liefdesverklaring aan de kernachtigheid. Het mijn a-der-en tin-tel-en om de dun-ne lucht in te zui-gen, dat een Nederlands dichter zou moeten neerschrijven, klinkt daarbij als de tred van een mank karrenpaard.

Een goed Nederlands dichter zou het dan ook anders moeten zeggen.

Iemand die in een andere taal gaat dichten wordt een andere dichter.

Het overschakelen naar een nieuwe taal brengt problemen van een heel andere orde met zich mee dan het overschakelen naar een nieuw land. Voor het laatste kun je volstaan met bus, trein, boot of vliegtuig. Je kunt een retourticket nemen en daarmee basta.

Terug naar huis, thuiskomst. Het vorige land wordt een herinnering. De aderen tintelen al, de longen hijgen. De zuurstof van de geboortegrond, hoe droog en dun ook.

Vol verwachting zet dit gedicht in. De verwachting van het vertrouwde. Het land dat de dichteres achterliet is simpelweg een geheugenbeeld geworden. Het valt ineens samen met het prentenboek uit haar kinderjaren: keurige akkers, lage luchten, poppenhuizen, molenwieken, kerktorens, koetje-eendje-paardje, weiland en schuit – een legpuzzel van meetkundige figuren.

Hoe wyd en leeg die vyftig-myl vallei

wat na die pers Magaliesberge vloei!

– opnieuw zo'n bondige constatering met de potentie van een existentiële schreeuw. De dichteres stelt beide landen tegenover elkaar. De egaal-grauwe carré's tegenover de paarse bergen, de bezonkenheid tegenover de ruimte, de klaver tegenover de aloëstengel, het in elkaar grijpen tegenover de afstand. Landschappen als karakters van een land –

jou ruimte kan nog steeds die onrus wek

– juist de onrust is haar het vertrouwdst. Wat voor de Hollander stelligheid en inkapseling zijn, zijn voor de Zuid-Afrikaan de Grote Trek en nevenschikking. Het een en het ander tegenover het een of het ander.

Eén herinnering aan Nederland welt bij de dichteres nog dwingend op, door de haakjes als een uitzonderlijke herinnering gebrandmerkt –

(In Giethoorn het ek eendag, oor en oor,/ die soet tweeklank van die koekoek gehoor.)

– waarna onmiddellijk het paard Prins met zijn glimmende hals

en bit ten tonele treedt om de

galop door de ruimte aan te vangen.

Er was tenminste nog iets van

een zoete tweeklank in Nederland. Uitgerekend van een koekoek, uitgerekend in Giethoorn. Maar een tweeklank.

Als ik aan heimweegedichten denk hoort Tuiskomst in Junie altijd bij de top. Ik weet niet hoe dat komt. Het is helemaal geen heimweegedicht. Het werd geschreven na een korte vakantie naar Nederland en het verscheen in 1950 in de bundel Tussensang, elf jaar voordat Elisabeth Eybers in dat andere land kwam te wonen. Toch bezit het gedicht een ondefinieerbare heimweevibratie. Tuiskomst in Junie gaat over het nu al heimwee hebben naar het land waar je nog woont. Over heimwee hebben naar een plek die je niet eens hebt verlaten.

Onze conclusie moet luiden dat heimwee kennelijk een toestand is waarin je kunt verkeren zonder wee naar een heim te hebben.