Spoorloos

Wie per spoor wil reizen, kan natuurlijk in een trein gaan zitten. Maar lopen of fietsen over oude, niet meer in gebruik zijnde baanvakken kan ook. Onlangs verscheen een wandel- en fietsgidsje met vijftien oude spoortrajecten in Nederland. Voor mensen zonder haast.

Wie een NS-station per spoor wil verlaten, is doorgaans veroordeeld tot een treinreis. Het lijkt aanvaardbaar en normaal, tot je meemaakt hoe het ook kan. Neem Winterswijk, knooppunt van ontrailde sporen en spoorloze banen. Even ten oosten van het perron waar om negen voor elk heel een dieseltrein naar Arnhem vertrekt, begint een spoorweg zonder rails of bielzen waar reizigers hun eigen rollend materieel mogen inzetten. Kom daar eens om in Amsterdam!

Ik ontvouw mijn fiets ter hoogte van de Winterswijkse Mengvoer Unie en boemel over een kaarsrecht, stenig pad, terwijl Party Restaurant Wamelink en een pand van Scouting Winterswijk voorbijflitsen. Het blijft bij een korte rit: spoedig wordt het spoorwegdek zoveel keiïger dat voortgaan alleen nog lukt per schoenzool en kapmes. Prima, als het maar geen trein is. Fiets parkeren, hekje over en door een vegetatie van brem, braam en berenklauw de spoordijk naar het Duitse Borken volgen. Vijftien kilometer rechtdoor, kan niet missen. Een bord van Natuurmonumenten – sinds 1989 eigenaar van dit deel van de spoorbaan – rept over vrije wandeling op wegen en paden. Dat had moeten zijn `wandeling op spoorweg', want er is geen pad te bekennen en erg vrij wandelt het niet. Een noodrem is hier overbodig, je bent blij dat je vooruit komt.

Traag glijdt rechts de blauwgrijze visvijver van `WHV De Karper' voorbij, links komt een camping vol caravans en Duitse nummerborden in beeld, tussendoor ontvouwen zich restanten van een idyllisch hoevenlandschap. Bij deze snelheid leer je nog eens iets over Nederland, temeer daar er geen afleiding is van Tussen de Rails of andere lectuur. En voor je conditie is het veel beter dan dat gezit in zo'n trein. Als dit idee landbreed doorbreekt, krijgt Nederland een totaal andere aanblik, met spoordijken vol kolonnes forenzen op bergschoenen, en horecapersoneel dat niet met karretjes langskomt maar in kleine helikopters, omdat het anders geen doen is. Alleen moet de dienstregeling worden herschreven: precies om 8:37 uur van perron zes in Rotterdam Centraal richting Delft vertrekken lukt nog wel, maar de aankomsttijden worden anders.

Hmm. Misschien is fietsen toch beter. Ik loop terug naar mijn eigen exemplaar. Waar ooit een wissel lag, verlaat ik de Borkense Baan (aangelegd rond 1875, ontmanteld in 1975) en tuf verder over de Oude Bocholtse Baan (1880-1931), die met een flauwe bocht afbuigt naar rechts en tot de Duitse grens is ingericht als fietspad. De stenen waarop de bielzen rustten zijn verwijderd of afgedekt. Dat hier ooit treinen reden, valt alleen af te leiden uit de verhoogde ligging van het parcours en zulke flauwe bochten dat je er met honderd kilometer per uur doorheen kunt, zonder af te remmen.

Ooit, een jaar of tachtig geleden, was Nederland bezaaid met spoor- en trambanen en de vraag dringt zich op waarom ten minste de helft weer werd afgebroken. Veel oude sporen dienen nu het toeristenverkeer, maar veel andere zijn bijna niet meer terug te vinden. Aan de noordflank van Den Haag bijvoorbeeld. Van de A4 naar Madurodam komt een nieuw stuk snelweg, omdat er anders te veel parkeerplaatsen leeg blijven in de Haagse binnenstad. Ruwweg volgt het nieuwe asfalt het traject waar tot 1953 het laatste deel van de spoorlijn Rotterdam-Scheveningen lag. Tot voor drie maanden stond er nog een langgerekte spoorwegdienstwoning aan het eind van de Bezuidenhoutseweg, die Rijkswaterstaat inmiddels tot moes heeft laten slaan. Naast de lege plek wacht de volgende kandidaat, het 133 jaar oude Café De Landbouw, terwijl de gemeente Wassenaar bezig is met een allerlaatste reddingspoging en onderzoekt of het pand misschien valt te verplaatsen.

Honderd meter ten zuiden van de leegstaande uitspanning staat het gras zo hoog dat resten van de oude spoordijk alleen zijn te ontdekken door dwars op het tracé heen en weer te lopen. Stijg ik een beetje om twee meter verder weer iets te dalen, of lijkt dat maar zo? Ik hoop het eerste, want even verder verrijzen flats en is het spoor zichzelf volkomen bijster. Stafkaart uit 1933 erbij en ook een van nu. Aha! Er is nog een andere kans iets terug te vinden: vijftienhonderd meter naar het zuiden, bij een straat waar nooit een burcht stond en nooit veel Finnen woonden, en die dus Finnenburg heet. Jammervandiespoorwegburg was beter geweest. Tussen de Burg en het terrein van Volkstuinvereniging Zonneweelde resteert nog een smalle reep van de honderden hectares weide die de kaart uit 1933 nog toont. En jawel, enkele tientallen meters spoordijk zijn nog goed te zien, met een wandelpad eroverheen en bijna een meter hoger dan het gras rondom. Wie de lijn van het spoor volgt waar het pad ophoudt, komt in de zitkamer van een nieuwbouwwoning. Zouden de bewoners weten dat er duizenden treinen vol gelukkige, teleurgestelde, opgewekte, depressieve, doortrapte, aardige, eenzame en zorgzame mensen passeerden waar nu hun eettafel staat? Dat grote ijzeren wielen hun servies en alle foto's op het dressoir hadden verpulverd als er geen tijd tussen had gezeten?

Meer historische verwijzingen zijn te vinden langs het parcours waarover van 1888 tot 1972 treinen van Apeldoorn naar Zwolle en terug reden. Op de gevel van een oud woonhuis, ooit een halte, in een buitenwijk van Epe, vertellen de letters EPE met een pijl erbij hoe woest en ledig de omgeving eruit zag toen het spoor werd aangelegd. Naast de pijl staat een grote, cryptische 8. En naast het huis staat weer cafetaria `Het Verloren Spoor', waar een kipknotsen en boerenbrokken friturende ober weet dat treinreizigers hier ooit op krachten kwamen, mogelijk voor de wandeling naar de dorpskern. Wie nu van Epe naar Heerde en verder wil sporen neemt de fiets, over een pad dat niet gauw zal verzakken. Om uit de bocht te vliegen moet je harder fietsen dan een Thalys, beken van niets passeer je via gemetselde bruggen waar een halfwas brontosaurus overheen zou kunnen. Het grootste gevaar schuilt in het bermlandschap, waar verbodsborden in scherpe taal zeggen dat reizigers er wegens MKZ geen stap mogen zetten. Toen treinramen nog open konden, heette dat gewoon: e pericoloso sporgersi – nicht hinaus lehen – ne pas se pencher au dehors.

Wandelen en vooral fietsen over oude spoorbanen is zo'n denderend succes dat er al een gids bestaat met vijftien routes, en die volgen slechts een greep uit het binnenlandse aanbod; ook voor Vlaanderen bestaat er zo'n gids. Probleem is uiteraard dat spoorwegen, de oude inbegrepen, nooit in rondjes lopen, rond een kerk of wat dan ook. Je moet echt naar B willen en A voorlopig niet terug willen zien, anders kun je het spoorvolgen beter laten. Beide gidsen zijn goed geschreven en uitstekend gedocumenteerd, maar de routes gaan noodgedwongen maar ten dele over spoordijken. Voor Adriaan Vroklage, de ik-figuur in De Jacobsladder van Maarten 't Hart was A Den Hoorn (bij Delft) en B Maasland (bij Maassluis), nadat hij bij een nachtelijk incident vijanden had gemaakt die hem per auto achtervolgden: ,,Eens, lang geleden, had er een stoomtrein door het Westland gereden. Die stoomtrein bestond niet meer. Op de spoordijk had men een fietspad aangelegd. [...] In de verte verrees de hoge boogbrug over de Vlaardinger Trekvaart. Eenmaal op die ex-spoorbrug zag ik op de gewone weg naar Maasland mijn achtervolgers alweer rijden.''

Schaatser Ruud Liebrechts, in 1965 nog wereldkampioen op de 3000 meter en twee maal all round kampioen van Nederland, mag over hetzelfde traject graag racefietsen – maar niet op mooie zater-, zon- en feestdagen. ,,Op de racefiets is het dan helemaal niks, dan rijden ze daar met complete gezinnen.'' In zijn herinnering ziet hij nog de treinen van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij, die spoor en brug in 1905 aanlegde en er tot 1967 haar materieel liet rollen, sinds 1925 alleen nog met goederen aan boord. Autoverkeer nam het werk over, hier en langs tientallen andere ex-sporen. Fietsend waar eens bielzen lagen, over de geniale boogbrug bij Schipluiden, door een prachtig polderlandschap met hooggelegen vaarten en weilanden in de diepte, met molens, zeeën van fluitenkruid, bermen vol groot hoefblad, grutto's en soms een lepelaar, over een splitsing in het pad waar ooit een wissel lag, herinnert elke pedaalslag aan de tijdelijkheid van een project dat ooit eeuwigheidswaarde leek te hebben. In de verte razen kolonnes auto's over ruimtevretende rijkswegen. Hoe lang zou het duren voordat daar pittoreske fietspaden liggen – en hier misschien weer een spoor?