PGD in Nederland al toegepast

Embryoselectie op genetische gronden, zoals nu in Duitsland in discussie is, gaat in de eerste plaats om pre-implantatie genetische diagnostiek (PGD). In Nederland wordt PGD al toegepast. PGD is bedoeld om ouders in wier familie een erfelijke ziekte voorkomt via een reageerbuisbevruchting een kind te laten krijgen dat die ziekte niet heeft. De methode is een alternatief voor een vruchtwaterpunctie tijdens de zwangerschap, gevolgd door een abortus als het ongeboren kind de ziekte blijkt te hebben.

PGD begint met een gewone reageerbuisbevruchting. Bij de moeder `geoogste' eicellen worden in het laboratorium bevrucht met sperma van de vader. Na drie dagen delen, als het embryo zes tot tien cellen groot is, neemt een laborant één of twee cellen weg. Die worden onderzocht op chromosoom- of genafwijkingen. Als er een afwijking is, wordt het embryo niet bij de moeder geïmplanteerd. De delicate stap is om op basis van één of twee cellen diagnostiek te bedrijven.

PGD wordt in Nederland uitgevoerd door klinisch genetici van het Academisch Ziekenhuis in Maastricht. Daar zijn tot nu toe rond 60 behandelingen uitgevoerd; er zijn ruim 20 gezonde kinderen uit geboren. Tests zijn mogelijk op van één gen afhankelijke erfelijke ziekten, zoals taaislijmziekte, de ziekte van Huntington, hemofilie, enkele spierziekten en ziekten die aan het x-chromosoom zijn gebonden, waardoor alleen jongens zijn getroffen. In dat laatste geval worden alleen vrouwelijke embryo's teruggeplaatst.