Jonge delinquent niet gebaat bij strafrecht voor volwassenen

Om hardnekkige jeugdige delinquenten aan te pakken deed de Utrechtse korpschef Vogelzang het voorstel om in die gevallen vaker het strafrecht voor volwassenen toe te passen. Dat zal weinig opleveren en waarschijnlijk zelfs contraproductief werken, stelt Peter van der Laan.

Het leek even begin januari, het moment waarop vroeger de ene na de andere korpschef in zijn nieuwjaarstoespraak maatschappelijke problemen, politieke misvattingen en bestuurlijk onvermogen aan de kaak stelde. Nu was het afgelopen maandag de Utrechtse korpschef Vogelzang, die aandacht vroeg voor het probleem dat wordt veroorzaakt door een groep hardnekkige jeugdige delinquenten. Voor het merendeel gaat het om Marokkaanse jongens. Deze jongeren worden gemiddeld vier tot tien keer door de politie opgepakt en krijgen vervolgens al dan niet een straf, maar gaan even zo vrolijk door met hetgeen waarvoor ze opgepakt worden: het plegen van delicten. Geen kruimelwerk, maar berovingen, inbraken en diefstal uit auto's. Ons politieel en justitieel systeem schiet duidelijk te kort als het gaat om het intomen en in de hand houden van deze, overigens relatief kleine groep jongeren.

Vogelzang liet het niet bij het signaleren van het probleem, hij kwam ook met oplossingen. Dat is begrijpelijk en misschien ook wel te waarderen, maar dat had hij beter niet kunnen doen. Hij stelde voor om op minderjarigen die zes keer met de politie in aanraking zijn gekomen het strafrecht voor volwassenen toe te passen en had het ook over enige tijd vastzetten, het hanteren van elektronisch toezicht, het bijbrengen van discipline en op `indringende' wijze bijbrengen van normen en waarden. Kortom, het moet strenger, langer, steviger, want de gangbare praktijk is te soft en ineffectief.

Het is een bekende reflex: de problemen worden steeds ernstiger en de oplossing is gelegen in harder optreden en meer repressie. Het is de reflex die je ook vaak bij politici ziet. Het was dan ook niet verrassend dat CDA-Kamerlid Van de Camp er als de kippen bij was om het pleidooi van Vogelzang te onderschrijven.

Laat het duidelijk zijn dat het probleem van groepen, niet zelden Marokkaanse of Antilliaanse jongeren, die veelvuldig en vaak ernstige delicten plegen – ook wel de harde kern of stelselmatige daders genoemd – niet mag worden gebagatelliseerd. Maar het is een illusie te denken dat de oplossing gelegen is in meer repressie. Toevlucht zoeken tot het strafrecht voor volwassenen zal weinig opleveren en waarschijnlijk zelfs contraproductief werken.

De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan in binnen- en buitenland naar wat strafrechtelijke interventies effectief maakt, dat wil zeggen recidive tegengaat of vermindert. Daardoor weten we ook beter welke aanpakken geen effect sorteren. Om met het laatste te beginnen: een punitieve aanpak – straffen om het straffen – levert simpelweg niets op. Detentie, op militaristische leest geschoeide trainingskampen en elektronisch toezicht dat niet gekoppeld is aan een op scholing en arbeid gericht integratieprogramma, hebben geen aantoonbaar effect op recidive. Detentie kan aangewezen zijn wegens bijvoorbeeld (tijdelijke) bescherming van de samenleving, maar dat daarmee het gedrag van betrokkenen blijvend verandert, klopt niet. De verklaring hiervoor is simpel. Delinquent gedrag kan alleen maar begrepen worden in de context van ongunstige leefomstandigheden, beperkte individuele ontplooiingsmogelijkheden, negatieve groepsdruk, matige opvoedkundige kwaliteiten van ouders, enzovoort. Eerdergenoemde straffen of aanpakken – en dat lijkt ook te gelden voor allerlei therapieën, avontuurlijke voet- en zeiltochten – veranderen niets aan deze fundamentele zaken. Na verloop van tijd keert de jeugdige terug naar precies dezelfde, doorgaans weinig opwekkende situatie. Het zal niemand verbazen als het binnen de kortste keren weer misgaat.

Interventies zijn effectief als zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Hoe groter het risico dat iemand opnieuw de fout in zal gaan, des te intensiever dient de aanpak te zijn. Is het risico klein of afwezig dan kan een reactie beperkt of zelfs achterwege blijven. Belangrijk is voorts dat de aanpak gericht is op die aspecten van iemands bestaan, die als het ware bijdragen aan het ongewenste gedrag. Iemand die slecht opgeleid is, geen werk heeft en wellicht ook nog te kampen heeft met verslavingsproblematiek, is alleen gebaat bij aanpak van die problemen. Spelen ouders een belangrijke rol bij het ontstaan van de problemen van een jongere, dan zullen ook die ouders op een of andere wijze bij de aanpak betrokken dienen te worden. Bovendien moeten de te hanteren methoden aansluiten bij de mogelijkheden van de betrokken delinquent. Dus bijvoorbeeld geen nadruk leggen op allerlei schriftelijk lesmateriaal als betrokkene grote moeite heeft met lezen of schrijven.

Veel van de bestaande strafrechtelijke reacties in de sfeer van taakstraffen, dagtrainingscentra en individuele trajectbegeleiding (ITB) komen enigszins tegemoet aan bovengenoemde voorwaarden. Onderzoek heeft laten zien dat taakstraffen betere resultaten geven dan traditionele straffen als de gevangenisstraf of de geldboete. Maar tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat zij nog teveel tekortkomingen kennen om ook met succes ingezet te kunnen worden bij de hardnekkige `veelplegers'. Echt intensieve begeleiding, dat wil zeggen dagelijks contact, meegaan naar afspraken, informeren of aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, is noodzakelijk. Zo'n aanpak is aangewezen voor de meest hardnekkige jeugdige delinquenten en zal verrassend positieve resultaten te zien geven.

Vorig jaar september heeft de Raad van Europa een commissie ingesteld die een aanbeveling moet voorbereiden over nieuwe aanpakken van jeugdcriminaliteit. De commissie bestudeert daartoe de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit en inventariseert bestaande regelingen en praktijken in de 42 lidstaten van de Raad van Europa. Tijdens de laatste vergadering van de commissie, twee weken geleden, kwam onder meer naar voren dat in Nederland anders dan in andere landen zestien- en zeventienjarigen onder bepaalde omstandigheden volgens het volwassenenstrafrecht berecht kunnen worden. En dat dit bovendien ook in toenemende mate gebeurt. De commissie lijkt niet erg gelukkig te zijn met deze ontwikkeling en, zo valt te verwachten, zal deze werkwijze zeker niet promoten als een van de nieuwe, veelbelovende aanpakken van jeugdcriminaliteit.

Misschien moet, als het gaat om de aanpak van zo'n specifiek criminaliteitsprobleem de aloude taakverdeling weer in ere worden hersteld. Laat de politie (jonge) boeven vangen en het openbaar ministerie hen (eventueel) strafrechtelijk vervolgen. Uiteindelijk is het aan de rechter om op maat toegesneden straffen op te leggen en is het aan kinderbescherming, jeugdreclassering en jeugdinrichtingen om die straffen uit te voeren en te zorgen voor een gedegen toezicht op de jongeren.

Dr. P.H. van der Laan is verbonden aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en aan het departement Strafrecht en Criminologie Universiteit Leiden.