Het joodse volk moet zijn grenzen kennen

De belangrijkste vraag waar het Israëlisch-joodse volk zich voor gesteld ziet is of het gelooft in zijn vermogen om van de zee tot de Jordaan een regime in stand te houden dat zichzelf bevoordeelt alleen maar omdat het joods is, meent Amira Hass.

Sinds eerder deze maand het rapport van de commissie-Mitchell verscheen, dubt het Israëlische volk op zijn gemak over een mogelijke bevriezing van de bouw in de nederzettingen. Maar dat zwakke debat mag niet de aandacht afleiden van de kern van de zaak: het bestaan als zodanig van de joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (met inbegrip van Oost-Jeruzalem) en in de Gazastrook. De vraag is of de Israëliërs, van wie de meesten nog altijd binnen de grenzen van 4 juni 1967 wonen, als een normaal volk in een land met vaste grenzen willen leven, of dat ze persoonlijk, emotioneel en financieel bereid zijn om zich op te maken voor een langdurige oorlog, zodat het gebied waarin Israël het voor het zeggen heeft wordt bepaald door de ligging van de nederzettingen.

Ja, zegt de Israëlische samenleving die steeds meer van haar zonen inzet om de nederzettingen te verdedigen, wij zijn klaar voor een langdurige oorlog over het recht van de nederzettingen om de landsgrenzen te bepalen.

De Israëlische ontwikkeling van de nederzettingen leidt geografisch tot één staat die zich uitstrekt van de zee tot de Jordaan. Israël werkt al ruim twintig jaar aan die geografische indeling, maar het nadrukkelijkst de laatste tien jaar, `de jaren van het vredesproces', door de aansluiting van het wegen-, water- en elektriciteitsnet van de nederzettingen op de infrastructuur binnen de Groene Lijn.

Maar het draait niet alleen om grenzen. De kernvraag is of het Israëlisch-joodse volk, dat zich als deel van het Westen ziet en actief is op allerlei Europese fronten, gelooft in zijn vermogen om van de zee tot de Jordaan een regime in stand te houden dat zichzelf bevoordeelt, alleen maar omdat het joods is. Op het geografische grondgebied aan weerskanten van de Groene Lijn woont een ander volk.

Over de lijn zijn de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt door een slechte infrastructuur, die door de Israëlische regeringen sinds 1948 bewust zo is gehouden. De toegang tot water en land is beperkt, vergeleken bij de joodse toegang tot hulpbronnen, als gevolg van wetten (binnen de Groene Lijn) en legerorders (buiten de Groene Lijn).

Een jood die in Jaffa is geboren kan verhuizen naar Ma'aleh Adumim. Een Palestijn die in Jericho is geboren heeft niet het recht naar Jaffa te verhuizen, laat staan om op een berghelling in Galilea voor zichzelf en zijn vrienden een villawijk te bouwen. In de bestuurlijke commissies die besluiten waar en hoe voor de joodse kolonisten wegen worden gebouwd, en wanneer inspecteurs erop uit worden gestuurd om te kijken of er geen Palestijnse bomen op `staatsland' zijn geplant, zitten geen Palestijnse vertegenwoordigers.

Een jood uit Beit El heeft geen pasje nodig om naar Jeruzalem te reizen, terwijl een Palestijn uit het naburige Ramallah ook in normale tijden een Israëlisch pasje moet hebben om naar Oost-Jeruzalem of Gaza te reizen, om maar te zwijgen van Tel Aviv, en op het ogenblik misschien niet eens naar Bethlehem kan. Een jood die in Marseille is geboren en nu in Neveh Dekalim woont, kan zo gaan studeren aan het Ariel-college. Een Palestijn wiens moeder is geboren in Ashdod en die nu in het vluchtelingenkamp Khan Yunis woont, moet een Israëlisch pasje hebben om te gaan studeren aan de Bir-Zeit-universiteit of de al-Najah-universiteit in Nabloes, en het is nog maar de vraag of hij het krijgt.

De zomer staat voor de deur en er is geen enkele jood in geen enkele nederzetting – of in de meeste steden binnen de staat Israël – die bang hoeft te zijn dat zijn waterleiding droogvalt. Tegelijkertijd beginnen de Palestijnse buren in Beit El, Ma'aleh Adumim, Ma'aleh Hahamisha, Kfar Sava en Yad Hana de druppels in hun tanks te tellen, want Israël rantsoeneert het persoonlijke waterverbruik van de Palestijnen.

In deze geografisch ene staat kan een jood geboren in Tel Aviv of Moskou, in een nieuwe woonwijk in Nazareth gaan wonen. Een niet-joodse burger van Israël, wiens familiegrond in Nazareth voor diezelfde wijk is onteigend, zal nooit een nieuwe Arabische woonwijk in de buitenwijken van Ramat Aviv kunnen stichten, want niet-joden mogen geen `nationaal land' pachten.

Natuurlijk, hij heeft stemrecht en mag strijden voor gelijkberechtiging binnen de staat. Maar als die staat zelf al het mogelijke doet om de Groene Lijn uit te wissen, waarom zouden de bewoners van Dir Hana, Sakhnin en Taibeh die lijn dan eerbiedigen en de discriminatie tegen hen zien als iets heel anders dan de discriminatie tegen de inwoners van Jalazun en Jabalya?

In deze geografisch ene staat zijn twee aparte, ongelijke wets- en rechtsstelsels. De leden van de ene etnische groep zijn meer bevoorrecht dan die van de andere gemeenschap. De kolonistenlobby doet zijn best het Israëlische volk ervan te overtuigen dat de Palestijnen het hoe dan ook op het hele land hebben gemunt.

In werkelijkheid is het overgrote deel van de Palestijnse politieke organisatie nog altijd voor een oplossing van twee staten binnen de grenzen van 4 juni 1967, waarbij de taak van de democratisering binnen Israël wordt overgelaten aan de joods-Arabische Israëlische maatschappij. Maar die beleidsbepalende generatie, die in de jaren voor de afsluiting Israël heeft leren zien als een maatschappij met vele dimensies, dunt uit; er groeit een nieuwe generatie op voor wie alle Israëliërs kolonisten en soldaten zijn die, overal van de rivier tot aan de zee, niet alleen hun bestaan willen veiligstellen, maar ook de superieure positie van hun etnische gemeenschap – ten koste van de andere gemeenschap. Hoe lang kan de joods-Israëlische samenleving in die ene staat haar privileges nog beschermen?

Amira Hass is redacteur van Ha'aretz. ©Ha'aretz