En de advocaten?

Ooit was hij een onbekende schade-advocaat van een matig lopend kantoor. Totdat hij vier jaar geleden, met een overlevende van Auschwitz naast zich, voor de ogen van de internationale pers Zwitserse banken beschuldigde van roof op Holocaust-slachtoffers. In een zogeheten class-action namens alle getroffenen legde hij een miljardenclaim bij de Zwitserse banken. Op slag was Edward D. Fagan beroemd en reisde hij de wereld af op zoek naar zijn gelijk. Al gauw ontdekte Fagan dat er nog veel meer oorlogsslachtoffers waren die nooit een cent hadden gezien, zoals de (vooral Oost-Europese) dwangarbeiders die onder miserabele omstandigheden in Duitse fabrieken hadden gewerkt. Het duurde niet lang of Fagan – en in navolging van hem tientallen andere advocaten – hadden een wereldwijd klantenbestand opgebouwd met vele tienduizenden namen.

Met het succes van de advocaten groeide echter ook de kritiek op hun werkwijze. Was de `Holocaust-industrie' niet dolgedraaid? Waren de slachtoffers niet eerder middel voor eigen roem dan een doel op zichzelf? Vorig jaar verscheen in The New York Times een litanie van klachten over Fagan. Zo vertelt een voormalig medewerker van zijn kantoor dat veel brieven van cliënten nooit beantwoord werden.

Een deel van het fonds voor dwangarbeiders zal worden gebruikt als honorarium voor de advocaten – al hebben enkelen van hen gezegd geen geld te willen. Om precies te zijn: 120 miljoen mark gaat er aan honorarium op. Volgens Michael Witti, een van de weinige Duitse advocaten in het circuit, moet het geld verdeeld worden over iets minder dan twintig advocatenkantoren. ,,Ik heb goed verdiend'', zei Witti onlangs in Welt am Sonntag. ,,En dat vind ik terecht. Ik sprak namens 20.000 slachtoffers.'' Als de regels van de Duitse advocatuur gevolgd worden kan Witti aanspraak maken op een kleine 20 miljoen mark. Een arbitragecommissie in New York zal zich buigen over de verdeling van de miljoenen.