Een Franse Den Uyl?

Joop den Uyl, die tussen 1973 en 1977 het meest linkse kabinet voorzat dat Nederland ooit gekend heeft, zou, was hij nog in leven, de rede die zijn partijgenoot Lionel Jospin, de socialistische minister-president van Frankrijk, maandag gehouden heeft, waarschijnlijk met instemming aangehoord hebben.

Op 6 oktober 1973, vier maanden na zijn `machtsovername' – en toevallig op de dag dat de Jom-Kippoeroorlog uitbrak, die zulke dramatische gevolgen voor Nederland dreigde te zullen hebben – hield Den Uyl namelijk een rede over de Europese eenheid, waarin hij ongeveer dezelfde prioriteiten koos als Jospin bijna 28 jaar later zou doen. Voor ouderen met een goed geheugen gaf die rede dus een gevoel van déjà vu.

Wat zei Den Uyl toen? Hij zei dat ,,de vraag wat voor soort samenleving wij in de (Europese) gemeenschap'' – zo heette de Europese Unie toen nog – ,,tot stand willen brengen, belangrijker is dan het tempo waarin het proces van Europese eenwording zich voltrekt''.

En: als alle energie en inventiviteit gericht worden op de vorm en het institutionele geraamte van Europa, dreigt het gevaar dat dat Europa `een lege huls' zal blijken te zijn. Den Uyl vond dan ook dat de politieke partijen in de eerste plaats ,,zich op Europees plan verantwoordelijk (moeten) maken voor richting en inhoud van het beleid''. Dus tempo en institutionele vormgeving van de integratie waren in zijn ogen minder belangrijk dan de inhoud van het beleid van het toekomstige Europa.

En hoe moest dat beleid er dan uitzien? Dat had Keerpunt `72, het verkiezingsprogramma van de drie progressieve partijen die de kern van het kabinet-Den Uyl zouden vormen, al duidelijk gemaakt: ,,Het streven naar een grotere eenheid van Europa (...) dient ondergeschikt te zijn aan de verwezenlijking van een progressief beleid.''

De voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, Ed van Thijn, zou dat op 1 mei 1974 preciseren door te zeggen dat het niet om Europa wegens Europa ging, maar om de vraag of in Europa socialistische politiek zou kunnen worden gevoerd. Ach, dat waren de dagen van het progressief triomfalisme – lang voordat Kok zijn partij zou ontdoen van haar laatste ideologische veren.

Maar nu neemt de socialist Jospin de fakkel over van wijlen Joop den Uyl en de toenmalige Ed van Thijn. Het debat over Europa, zei hij maandag, moet niet uitsluitend gaan over ,,de kwestie van de instellingen en hun hervorming. Europa is in de eerste plaats een politiek project, een `inhoud' voordat het een `huls' kan worden. (...) Europa is in de eerste plaats een samenlevingsmodel, een visie van de wereld.'' De prioriteit is duidelijk.

Even duidelijk is Jospin in de uitwerking van het model en de visie die volgens hem prioriteit moet hebben: Europa heeft meer economische solidariteit nodig. Daarom moet de eurozone onder een `economische regering' komen te staan. Deze behoort ten dienste te staan van de sociale solidariteit. Ons perspectief moet zijn: een Europees sociaal verdrag. Ook behoort de rol van de openbare diensten in Europa geconsolideerd te worden. Dus geen verdere privatisering.

Van een Fransman die bovendien een socialist is, kan weinig anders verwacht worden. Over de `inhoud' die Jospin Europa wil geven, kan (en zal) dus lang getwist worden. Moeilijker betwistbaar evenwel is zijn stelling dat ,,we niet institutionele structuren en formules kunnen voorstellen zonder eerst nagedacht te hebben over de politieke richting die we Europa willen geven''. Dan zouden we inderdaad met Den Uyls `lege huls' blijven zitten.

Vergeleken met de economische en sociale inhoud waarmee Europa gevuld moet worden, is Jospin veel minder duidelijk en uitvoerig over de rol die het naar buiten toe moet spelen. Maar daar geldt toch ook voor dat daarover nagedacht moet worden alvorens voorstellen gedaan worden met betrekking tot de Europese instellingen?

Maar veel verder dan zeggen dat ,,hij een sterk Europa wil, dat ten volle zijn verantwoordelijkheid neemt in de herdefiniëring van de wereldorde'' en dat ,,Europa een factor van evenwicht moet zijn in de internationale betrekkingen'', gaat hij niet – al laat hij merken dat die `herdefiniëring' een sterk anti-Amerikaans profiel moet krijgen.

Goed, laten we, terwille van de discussie, aannemen dat Europa zich niet anders dan in contrast tot de Verenigde Staten kan definiëren en profileren – ook zo'n beleid kan toch alleen maar geloofwaardig zijn als het sterke instellingen heeft, die in staat zijn snel besluiten te nemen en uit te voeren? Zo komen we dan toch weer bij de instellingen terecht.

Wat dat betreft bepleit Jospin in het voetspoor van Joschka Fischer en Chirac een `federatie van natie-staten'. Uitdrukkelijk verwerpt hij een federatie naar Duitse of Amerikaanse snit. Maar dan is zijn federatie intellectueel een innerlijke tegenstrijdigheid. Hij erkent trouwens zelf dat het begrip `juridisch dubbelzinnig' is. Dat niet alleen: het is een recept voor trage en dubbelzinnige besluitvorming, en met zo'n besluitvorming zal Europa nooit zijn machtspolitieke ambities kunnen waarmaken.

Over dubbelzinnigheid en innerlijke tegenspraak gesproken: minister Van Aartsen zei onlangs in een rede te Washington dat de EU ,,meer en meer een acteur op het wereldtoneel'' (global player) aan het worden is, maar wel een global player die ,,een gemeenschappelijke beleidsvisie voor zijn buitenlandse en veiligheidspolitiek nog moet bedenken''. Acht hij de Amerikanen werkelijk zo dom dat zij deze zichzelf weerleggende bewering niet doorzien? En weet hij werkelijk niet dat een beleidsvisie niet iets is wat even `bedacht' kan worden?

In februari heeft Commissievoorzitter Roman Prodi deze vraag gesteld: ,,Is het ons allen duidelijk dat wij iets willen opbouwen dat ernaar streven kan een wereldmacht te worden? Met andere woorden: niet slechts een handelsblok, maar een politieke entiteit?'' Het antwoord van de Europese politici op deze ,,bij uitstek politieke, niet institutionele'' vraag luidt: ja, maar we willen, sterker: kunnen er niet de nodige offers voor brengen. In dit antwoord (dat nooit publiekelijk gegeven zal worden) weten zij zich tolk van hun achterbannen. Ondemocratische gezindheid kan hun dus niet verweten worden, op zijn hoogst oneerlijkheid of gebrek aan ernst.

Opmerkelijk is het overigens dat Jospin met geen woord rept van de uitbreiding van de EU. Daarmee bevestigt hij de verdenking dat Frankrijk deze uitbreiding, die een voor Frankrijk nadelige hervorming van het Europese landbouwbeleid noodzakelijk zou maken en Duitslands macht als hartland van de EU alleen maar zou vergroten, eigenlijk helemaal niet wil.