De cultuur ligt voor het oprapen

De sombere scenario's over de Nederlandse cultuur die Andries van den Broek en Jos de Haan eerder op deze pagina schetsten zijn veel te star. De feiten leren anders. Aldus Ad Melkert in een opmaat tot een openbaar debat over cultuur.

Vorig jaar tijdens het Holland Festival. Frank Zappa's 200 motels wordt uitgevoerd door een symfonie-orkest met solisten. Eenmalig. Aangekondigd op een affiche met de overleden componist gehuld in een oranje shirt. Want het was ook Euro 2000. Dat beeld bracht twee gescheiden werelden even samen. Dat is waar cultuur over gaat: over het onverwachte, over werelden die op onvermoede wijze bijeenkomen, een ontdekkingsreis langs nimmer betreden paden. Zo vormt zich de identiteit van onze samenleving; een identiteit die voortvloeit uit de wijze waarop wordt geïnvesteerd in durf, waardering, kritiek en de toegang tot de vrije culturele ruimte. De houding en de vrijheid die daarbij hoort is de basis voor culturele vooruitgang en innovatie.

Hoe uitdagend ook door Van den Broek en De Haan op deze pagina (10 mei) besproken, alle door hen voorgelegde scenario's (marginalisering, consolidering, herwaardering) gaan mank aan een veel te starre opvatting van `cultuur' en de daaraan verbonden participatievraag. Hun beelden komen voort uit teleurstelling over het veronderstelde gebrek aan groei van culturele belangstelling, terwijl het gemiddelde opleidingsniveau toch zo is toegenomen en derhalve een grotere vraag naar cultuur op zijn plaats leek te zijn.

Dit onheilsbericht over de Nederlandse cultuur lijkt mij schromelijk overdreven. Het vermeende gebrek aan culturele belangstelling spoort eenvoudig niet met de feiten. De cultuur ligt immers voor het oprapen: in het experiment in de stad, in een uitvinding op internet, in een ander discoritme, of in een nieuwe kledingsensatie. Of bijvoorbeeld in de openbare ruimte, zoals in de bibliotheek van de TU Delft, waar de verbeeldende architectuur van Francine Houben uitnodigt tot een ontmoeting van hooggeleerden met jongeren op skateboards.

Heel veel mensen genieten dagelijks van kunst en cultuur. Maar, hoe eigenwijs, zij doen dat veelal buiten de door Van den Broek en De Haan aan hen toebedachte bekende zalen – en dus zonder het officiële kwaliteitsstempel dat zo keurig past in ons slimme rijkscultuursysteem. We zijn een volk van Piet Kleines: we schaatsen de elfstedentocht helemaal uit, maar beschikken lang niet altijd over alle vereiste stempels. En net zoals de Elfstedenvereniging de Drentse postbode uiteindelijk toch zijn welverdiende elfstedenkruisje toekende, zou onze eigen overheid zich ook eens wat ruiterlijker mogen opstellen.

Ik heb aan het begin van dit jaar in het Muziektheater als nieuwjaarswens opgeroepen tot herbezinning op ons cultuurbeleid. Het is tijd voor een herwaardering, weg van de vastgesleten eenvormige procedure en dichter bij de spannende, dynamische ruimte voor verandering. Bij die herwaardering laten zich de volgende drie prioriteiten onderscheiden:

Stimuleren van culturele uitwisseling;

Herwaarderen van bestaande culturele activiteiten;

Een heldere investeringsnorm voor het cultuurbeleid.

Allereerst het stimuleren van culturele uitwisseling. Het fantastische van de tijd waarin wij leven is dat Nederland steeds opener wordt voor invloeden van buitenaf, en ondertussen toch – hoe kan het ook anders – gewoon zichzelf blijft. Vaak zonder dat we het echt beseffen verrijkt onze cultuur zich door de opname van invloeden van zowel binnen- als buitenaf. Openheid, oprechte belangstelling voor elkaar, en gelijkwaardigheid vormen daarbij de kernwaarden. Samen leiden zij tot een vorm van cultuur-`fusion' zonder weerga. Een mooi voorbeeld van zo'n culturele injectie van het ooit zo stijf-calvinistische Nederland is het Haagse Live for life festival, opgezet door tweede-generatie-migrantenjongeren.

Voor culturele injecties kunnen we steeds vaker ook in de rest van Europa terecht. Dankzij Euroclio helpen geschiedenisleraren vanuit Nederland mee met het schrijven van nieuwe geschiedenisboeken voor voormalige communistische landen. Lezers uit andere lidstaten profiteren van het European Books Project, waardoor het voor uitgevers een stuk eenvoudiger is geworden Nederlandse romans te vertalen en toegankelijk te maken. Het belang van deze grensoverschrijdende culturele uitwisseling kan nauwelijks worden overschat.

Het Prins Claus-Fonds gaat nog een stap verder en denkt op wereldschaal. In een van zijn boeiendste projecten worden door middel van internet complete netwerken van creativiteit uit metropolen in Azië, Afrika en Latijns Amerika (`urban heroes') voorgoed aan elkaar geklonken. Over culturele uitwisseling gesproken!

Kortom, we staan aan de vooravond van enorme culturele vernieuwingen. Het is nu de tijd om hier een grote kwaliteitssprong te maken door gerichter te kijken of exportmogelijkheden en vernieuwingsdrang elkaar beter kunnen versterken.

Een tweede prioriteit is de herwaardering van reeds bestaande culturele activiteiten. Daarbij zullen we beter moeten beseffen dat het geheel van culturele uitingen – in Den Haag graag aangeduid als de `culturele infrastructuur' – van onderaf moet worden opgebouwd en pas daarna onder regie van het rijk kwalitatief dient te worden getoetst. In Friesland bijvoorbeeld is een uitgebreid netwerk van amateurtoneelgezelschappen in het Fries die het bestaan van het gezelschap Tryater uiterst waardevol maakt. In het dunbevolkte Zeeland zijn weinig voorzieningen maar groeien de moderne muziek en community art, voorstellingen met de bevolking van een dorp, snel uit tot een eigen vorm.

Deze cultuuruitingen brengen mensen dichter tot elkaar, leiden tot nieuwe verbanden en vergroten ons sociale kapitaal. Dit raakt het wezen van cultuurpolitiek, van sociaal-democratische politiek meer in het algemeen: dat mensen zichzelf openstellen en elkaar stimuleren tot het scheppen en instandhouden van gemeenschappelijke waarden. De overheid maakt daarbij beweging en rumoer mogelijk, geeft armslag waar nodig, en zorgt er ondertussen voor dat instellingen en gezelschappen scherp blijven.

Uitdagende kunst dringt door tot in de haarvaten van de samenleving: op school, in de stad, op het net; naast de exposities en de concerten. Het particulier initiatief speelt daarin een vitale rol. Het is mooi om te zien hoe het Joop van den Ende-fonds ruimte biedt voor jonge kunstenaars, hoe de captains of industry hun kennis en belangstelling inzetten voor steeds meer kunstinstellingen, en hoe het VSB-fonds al gedurende langere tijd investeert in cultuur. Deze activiteiten passen bij het moderne deel van het Nederlandse bedrijfsleven dat zich bewust toont van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheden – óók een veranderend element van onze culturele identiteit.

Ten slotte hoort bij het bevorderen van culturele betrokkenheid veel meer aandacht uit te gaan naar de omstandigheden waaronder vakdocenten hun leerlingen enthousiasmeren voor cultuur, tegengesteld aan de route die een tijd geleden is ingeslagen. Het mag niet alleen van ouderbijdragen afhangen of er aantrekkelijke muziek- of theateronderwijs afkan. Cultuur is van iedereen en voor iedereen, anders houdt het op cultuur te zijn.

De derde prioriteit is de ontwikkeling van een vaste cultuurnorm. PvdA en D66 maken zich in de Tweede Kamer sterk voor een cultuurnorm van 1 procent van de rijksuitgaven. Zo'n norm is een signaal dat een hogere prioriteit nodig is, dat het bestaande zich niet bedreigd behoeft te voelen bij het tegelijkertijd willen scheppen van meer ruimte voor vernieuwing. En dat hogere participatie niet lukt zonder toereikende voorzieningen. Het kabinet zal veel explicieter dan tot nu het geval is geweest de financiële randvoorwaarden moeten benoemen waarbinnen gevestigde kwaliteit en opkomend talent de ruimte kunnen krijgen om te slagen en zo nu en dan ook – dat hoort er nu eenmaal bij – te falen.

Culturele uitwisseling, herwaardering van culturele activiteiten, en een vaste cultuurnorm: daarover zou het met voorrang moeten gaan in het vervolg van het cultuurdebat dat vorig jaar zo gepassioneerd oplaaide naar aanleiding van de adviezen van de Raad voor Cultuur. Dat debat is tot dusver te veel op zichzelf blijven staan, gericht op de verdeling naar de voornemens van gisteren en te weinig vooruitlopend op de initiatieven van morgen.

Het is nu tijd snel die positieve wissel naar de toekomst om te zetten. Anders kan het gebeuren dat – ook de breed opgevatte – culturele betrokkenheid gemarginaliseerd raakt in een snel uitdijende popcornsamenleving, waarin sociaal kapitaal en gemeenschapswaarden onvoldoende op waarde worden geschat. Dan dragen we onbedoeld bij aan een samenleving waarin vrije tijd voor steeds meer mensen opgaat in geïsoleerde doe-het-zelf-activiteit, leuk maar zonder ambitie om waarde toe te voegen.

Het is veel leuker en mooier, en uiteindelijk ook veel bevredigender, om iets bij te dragen dat door anderen gewaardeerd kan worden en misschien zou kunnen blijven, soms langer dan je zelf bestaat. Net als Frank Zappa.

kunstvoorwie@tegenspraak.nrc.nl