Wroeten en scharrelen

WEINIG BLIJFT HETZELFDE. Maar wie had ooit kunnen bedenken dat de oud-chef van de Rabobank, de voormalige Boerenleenbank, de bank die de boer het geld leende om te kunnen groeien, om talloze varkens, koeien en kippen in stallen als gestapelde schoenendozen te proppen zodat hij als grootproducent met dank aan Brussel en de bank een welvarend bestaan kon opbouwen – wie had kunnen voorzien dat Herman Wijffels nog eens het einde zou verkondigen van de intensieve veehouderij in Nederland?

Gisteren deed hij dat. Als het aan Wijffels ligt zullen de kippen weer scharrelen, de varkens wroeten en de koeien weer in de wei lopen. Wijffels, thans voorzitter van de Sociaal-Economische Raad, heeft in commissieverband voor minister Brinkhorst (Landbouw) het rapport `Toekomst voor de veehouderij' geschreven. Het rapport is hard, helder en onontkoombaar, zoals de bewindsman het noemde. Het is geschreven als antwoord op de drie plagen in de veehouderij: mond- en klauwzeer, de gekkekoeienziekte, de varkenspest. Wijffels' rapport is van het `roer moet om'-soort. Dat is verfrissend, maar het roept ook vragen op. Het is eerder gezegd: het landbouwbeleid, niet alleen in Nederland maar in de hele Europese Unie, behoeft dringend revisie. Wijffels en de zijnen beperken zich tot de veehouderij in Nederland. Die zal er als het aan hen ligt in 2010 zo uitzien: het is een sector die respectvol met dieren omgaat; waarin diertransport aan strenge regels is gebonden en waarin biologische productie een belangrijke plaats inneemt. Een sector bovendien die bij dierziekten vaccineert en zo voorkomt dat beesten onnodig worden afgemaakt. Dit klinkt verstandig. Maar afgezien van de onvermijdelijke vraag naar de haalbaarheid, is het nuttig om even terug te gaan naar de huidige situatie. Wat is er mis en hoe is dat gekomen? De veehouderij anno 2001 is een bedrijfstak die wat milieu en omgang met dieren betreft ,,de grenzen van het aanvaardbare en toelaatbare'' heeft overschreden. Dit is gekomen door een historie van `pappen en nathouden', een `gedoogcultuur' en `diffuse collectieve verantwoordelijkheid'. Het zijn de kritische woorden van Wijffels zelf, die hiermee ooit geroemde werk- en overlegorganen als coöperaties en agro-netwerken onder vuur neemt, stukjes poldermodel avant la lettre. Jarenlange fixatie op het `collectieve goed' van de landbouw heeft uiteindelijk geleid tot een letterlijk verziekte veehouderij.

IS WAT WIJFFELS voorstelt haalbaar? Alleen als de consument meewerkt. En als Europa het wil; het landbouwbeleid wordt nu eenmaal in Brussel gemaakt. ,,Als de burger een andere veehouderij wil, maar daar als consument geen consequenties aan verbindt is hervorming van de sector kansloos.'' Anders gezegd: de consument moet betalen. Het punt is evenwel dat de consument niets moet. De vrije keus tussen een dure biefstuk uit Nederland en een goedkopere (maar niet biologisch geproduceerde) uit een ander land zal bepalend zijn voor de kans van slagen van Wijffels' plannen. Die goedkope biefstuk zal in het schap liggen. Nederland is geen eiland en kan en mag niet op slot. Er kunnen nu twee dingen gebeuren: dit rapport verdwijnt in een la, zoals zoveel andere. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk. De noodzaak tot verandering is te groot. Wijffels heeft daarvoor ook te veel gezag in landbouwkring en daarbuiten. Beter en waarschijnlijker is dat de minister van Landbouw er snel mee aan de slag gaat. Het zal hopelijk leiden tot een grote schoonmaak in de bedrijfstak. De boer moet die sanering zelf bekostigen en niet de belastingbetaler of de consument. Met een herkenbare aanpak kan Nederland, als hèt (voormalige) land van de intensieve veehouderij, in EU-verband misschien een aardige gidsfunctie vervullen. Meer dan dat zal het niet zijn. Brussel bepaalt de koers, met de grote lidstaten voorop.