Poëzie, ruimte en tijd

De laatste film van de maandag na een korte ziekte in Amsterdam overleden Frans van de Staak (57), heeft nog minder aandacht gekregen dan de vaak plichtmatig gerecenseerde andere films van deze eigenzinnige regisseur. Zijn tiende lange productie Lastpak ging eerder dit jaar onopvallend in première tijdens het Filmfestival Rotterdam, en werd enkele weken geleden zonder enige ruchtbaarheid uitgebracht door het Filmmuseum, waar hij nu nog te zien is. Toch kun je Lastpak opvatten als een sleutelfilm in het oeuvre van een consequent met ruimte en tijd, met taal en communicatie, en met de charme van houterige onhandigheid experimenterend filmmaker. Misschien is het personage van René van 't Hof, declamerend met een krantensteek op z'n hoofd, een luciferdoosje op de neus en in een toga van theedoeken en wasknijpers, wel de ideale personificatie van de combinatie van het banale en het verhevene, die uit de meeste films van Van de Staak spreekt, en ook een soort van ironisch zelfportret.

Pas in zijn laatste films, vanaf Schijnsel (L.J. Jordaanprijs, 1996), gebruikte Van de Staak door hemzelf, samen met Hanneke Stark geschreven teksten. Alleen in zijn eerste lange film, De onvoltooide tulp (1980), waren de triviale teksten, in 28 scènes voor steeds een man en een vrouw, van Van de Staak zelf afkomstig. Daarna trachtte hij, net als zijn grote voorbeeld Jean-Marie Straub, poëzie en af en toe proza te verbeelden, veelal afkomstig van ook al niet de meest toegankelijke literatoren in het Nederlandse taalgebied: Lidy van Marissing (Er gaat een eindeloze stoet mensen door mij heen, 1981; Rooksporen, 1991), Jacques F. Vogelaar (Het vertraagde vertrek, 1984), Gerrit Kouwenaar (Windschaduw, 1986; Ongedaan gedaan, 1989) of Cyrille Offermans (Kladboekscènes, 1993). De behoefte de verhouding tussen literatuur, ruimte en tijd te onderzoeken gaat terug naar zijn dertien vroege korte films uit de jaren zeventig, zoals Zes gedichten van Hubert Kzn. Poot en Toespraak tot het landschap. In Ongedaan gedaan vervullen scènes waarin de acteurs alleen maar lopen bijvoorbeeld de functie van witregels. Oorspronkelijk graficus, ontwikkelde de aan de Filmacademie opgeleide Van de Staak een zeer herkenbare stijl, samen met vaste medewerkers als componist Bernard Hunnekink en editor Jan Dop. Dat zijn films per definitie een klein publiek bereikten, vond Van de Staak niet erg. Hij erkende onmiddellijk dat de films ``niet voor iedereen bedoeld'' waren. De invloed van Van de Staak als inspirator en soms ook producent van onafhankelijke filmmakers was echter groot. Filmmakers uit zijn school zijn bijvoorbeeld zijn ex-echtgenote Heddy Honigmann, Rosemarie Blank en Peter Dop.

Onverstoorbaar werkte Van de Staak, consequent ondersteund door het Filmmuseum en het Filmfestival Rotterdam, door aan een uniek oeuvre, dat ook met een etiket als `experimenteel' nauwelijks te classificeren valt. Ondanks het onbegrip dat zijn werk vaak ontmoette, bleef Van de Staak onder alle omstandigheden een beminnelijk mens, die de naam van `lastpak' nauwelijks verdiende. Hooguit in de ogen van subsidiënten of beleidsmakers die niet wisten wat ze aan moesten met een filmkunstenaar wiens werk geen `progressie' vertoonde. Het is immers niet iedereen gegeven de doorbraak naar een breder publiek als ambitie te koesteren.