Plan Colombia helpt niet in drugsoorlog

De Tweede Kamer ging gisteren akkoord met een verdrag dat bases op de Nederlandse Antillen en Aruba ter beschikking stelt aan Amerikaanse F16-gevechtsvliegtuigen. Deze bases zullen gebruikt worden voor acties ten dienste van de onderschepping van drugstransporten. Sjef van Hoof sprak in deze krant van 24 april zijn voorkeur uit over het desbetreffende verdrag.

Het is de intentie van de Amerikanen de bases eveneens te gebruiken voor drugsbestrijdingsoperaties op Colombiaans grondgebied. Deze acties vinden nu reeds plaats maar zullen in de naaste toekomst een intensief karakter krijgen wanneer het Plan Colombia in uitvoering wordt genomen.

Op papier presenteert het Plan Colombia een integrale strategie van drugsbestrijding. Naast de repressief-militaire component behelst het plan steun aan vredesonderhandelingen met guerrillastrijders en de paramilitaire groepen, een herziening van het rechtssysteem, bescherming van de mensenrechten, investeringen in de sociale sfeer (in het bijzonder in de conflictgebieden), en steun aan de verbouw van marktgewassen die een alternatief kunnen vormen voor de cocaverbouw. De totale kosten van het plan worden begroot op 7,4 miljard dollar. Van dit bedrag zal Colombia zelf 35 procent bijdragen, de Amerikanen 15 procent en de internationale donorgemeenschap het resterende deel.

De angel in het plan geldt de Amerikaanse bijdrage: 73 procent van de 1,3 miljard dollar die is toegekend wordt besteed aan een strikt militaire benadering van het probleem: de opleiding van 12.400 man binnen de strijdkrachten en de politie, en de vorming van drugsbestrijdingsbataljons met assistentie van 500 Amerikaanse adviseurs, 80 helikopters, de installatie van radarsystemen en verdere militair-technologische ondersteuning op bases in Colombia, maar ook in de omringende landen (Ecuador, Peru, Brazilië).

De Peruaanse regering heeft – gezien de hoge mate van mobiliteit in de drugsproductie- en handel – haar bezorgdheid uitgesproken over de vergaande militarisering van de drugsbestrijding en vreest de gevolgen in eigen land.

De militair-repressieve aanpak van het drugsprobleem heeft de afgelopen decennia weinig tot niets opgeleverd. Tot een vermindering van de drugsproductie heeft hij dan ook nimmer geleid.

Zeker in Colombia heeft hij – gevoegd bij het guerrillageweld en het omvangrijke gebruik van chemische en biologische bestrijdingsmiddelen – geleid tot een zware druk op de boerenbevolking die, naast de coca-aanplant, ook de eigen voedselgewassen vernietigd ziet. De kleine boeren dragen zo de last van de repressie terwijl de cocateelt zich verplaatst naar meer afgelegen gebieden. Voor de echte problemen van Colombia die te maken hebben met de omvangrijke stedelijke en rurale armoede (waarbij de guerrilla een aantrekkelijk werkgelegenheidsalternatief wordt), het gebrek aan legitimiteit van de staat, het endemisch geweld, biedt het Plan Colombia geen soelaas. Sterker: het gevaar van `vietnamisering' van de situatie is niet uitgesloten.

Prof.dr. M.L. Vellinga is hoogleraar Ontwikkelingsgeografie aan de Universiteit Utrecht.