Hartstocht bij Hagen Kwartet

Luigi Nono meende dat György Kurtág zijn Hommage à András Mihály weliswaar componeerde in de vorm van twaalf Mikroludien voor strijkkwartet, maar dat hij eigenlijk koormuziek had willen schrijven. Kurtág was het met hem eens en noemde zijn eerste grote koorwerk dan ook prompt Ommagio a Luigi Nono.

Het Hagen Kwartet dat uitgebreid zijn twintigjarig jubileum viert, combineerde dinsdag in het Amsterdamse Concertgebouw Kurtágs Mikroludien – naast een tiental andere minder sterke werkjes van de Hongaar – zeer verrassend met composities van Heinrich Ysaac (ca. 1450-1517), een typische renaissance-kosmopoliet, thuis in alle stijlen en vóór alles een canonisch wonder. Dit betrof dus koormuziek, gebracht als muziek voor strijkkwartet, zij het hier quasi-authentiek vibratoloos gespeeld. Hartmut Schmidt, een Salzburgse collega van de Hagens, tekende voor de bewerking – slechts een enkele stemvoering moest worden aangepast.

Ysaacs hoofdwerk is de Choralis Constantinus in de vorm van een vierhonderdtal meerstemmige zettingen van het Proprium als een driedelige polyfone encyclopedie. Het tweede deel werd in 1909 bezorgd door dr. Anton von Webern. Webern had ongetwijfeld liever de originele muziek gehoord. Als gelovig katholiek had de tekst voor hem een bijzondere betekenis. Hoe dan ook, de soms naadloos volgende overgangen waren bijzonder boeiend. Bijvoorbeeld in Kurtágs serene en geheimzinnige Ligatura Y als inleiding voor Choralis nr. 61 (Visitationis Mariae).

Kurtág is het meest beïnvloed door Webern en werd zeker ook geboeid door de oude polyfonie alhoewel vooral uit een latere epoche, van Schütz en Monteverdi. Op een vraag van Nono bij de première van de Mikroludien in 1978 in Boedapest, over zijn uitgangspunt voor die uitzonderlijke muziek, antwoordde Kurtág: ,,Eenvoudig: met zo weinig mogelijk tonen zoveel mogelijk uitdrukken en dat ook zo dicht mogelijk.''

Het Strijkkwartet opus 1 uit 1959 (het eerste opus van een 33-jarige wel te verstaan) is zonder meer subliem en subtiel, niet minder dan de late Mikroludien.

In precies diezelfde verdichtende concentratie verduidelijkte de componist in een notitie, die ook van toepassing lijkt op alle volgende werken, steeds een fascinerende zoektocht naar de precieze vormgeving voor origineel aaneengeschakelde details. Het is sprekende muziek, teder, niet zonder melancholie, asentimenteel, niet zelden ironisch en als schaduwspel met de dood zelfs sarcastisch van toon.

Het Hagen Kwartet is dit allemaal op het lijf gschreven. Ook deze musici koesteren het detail, wars van elke vorm van overdrijving van schmieren, van charmeren, laat staan overdonderen. Steeds getuigen ze van goede smaak, zijn ze beheersd en geconcentreerd, zoeken ze naar een innerlijke logica. Ze spelen eerder te `droog' dan te `nat'. Eerder analytisch dan intuïtief.

Na de pauze leverde Janá^ceks uitgesproken romantische Tweede strijkkwartet `Intieme brieven', sterk verbrokkelde muziek op vol onverhoedse tegenstellingen. Zo telt het vierde deel liefst dertien tempowisselingen. `Toen de aarde trilde' is hier het motto. Bedoeld werd: zoals de aarde trilde onder mijn voeten, overstelpt als ik werd door mijn liefde voor Kamila Stösslová, Janáceks grote buitenechtelijke geliefde.

Hier is voor ironie of welke dubbele bodem ook geen plaats. Deze muziek is niet voor iets anders bedoeld dan voor hartstochtelijke strijkers. Prachtig gespeeld, al had het aanbrengen van cesuren minder nadrukkelijk gekund, komma's veranderend in punten.

Hagen Kwartet, werken van Kurtág, Ysaac en Janá^cek. Gehoord 29/5 in het Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: VPRO 20/6 20.02u.