Geen ernstige tijd

Als we het fascisme willen bestrijden, kunnen we niet volstaan met de mededeling dat het slecht is. We moeten ons ook en vooral verdiepen in de oorzaken van het succes, ontdekken wat er krachtig en vitaal aan is. Alleen op die manier kunnen we leren hoe we het moeten verslaan. Zo ongeveer schreef Jacques de Kadt in zijn boek Het fascisme en de nieuwe vrijheid, in 1939. Het fascisme was zelfs in die tijd nog niet de rechts-revolutionaire beweging met misdadige inslag. Voor grote massa's en menig intellectueel had het fascisme van Mussolini, eerst in de jaren twintig en daarna in de tijd van crisis, depressie en de onmacht van de zittende democratische regeringen – de lange stagnatie van de democratie in Europa – de kracht van een verlossend reveil. Ook in Nederland. Het is de moeite waard het artikel over Mussolini in de vijfde druk van onze nationale encyclopedie, de Winkler Prins, er op na te slaan: een hagiografie, geschreven in 1935, ondertekend door mr. J.C. Baak.

Ik dacht aan De Kadt bij het lezen van de beschouwing over Mussolini en de nieuwe Italiaanse premier Berlusconi, van de Amerikaanse columnist William Pfaff, in vertaling afgedrukt in de Volkskrant van 19 mei. Mussolini, schrijft Pfaff, was een ernstig man. Hij heeft de Italianen een ideologie gegeven, een combinatie van nationalisme en socialisme. Berlusconi is misschien wel een held in de ogen van veel Italianen, door zijn strijd tegen de bureaucratie en het openbaar ministerie. Maar hij heeft geen ideologie; hij komt met een samenraapsel van deregulering, privatisering en belastingverlaging. Hij presenteert zichzelf niet als een Groot Man maar als een groot president-directeur. Hij is de entertainer op een groot cruiseschip. Hij past in deze tijd, die geen ernstige tijd is.

Entertainer op een plezierboot; maar ook de profeet van een reveil. Dat is de andere kant van zijn verschijning, een hoedanigheid die hij met veel politici in opkomst deelt. Pfaff heeft gelijk. Dit is geen ernstige tijd, dit is een tijd waarin de macht veel eerder uit het televisiescherm komt dan uit de loop van een geweer. Voor de stemgerechtigde meerderheden van het Westen, is dit, bij wijze van spreken, een tijd van overvoeding. En dikke mensen maken geen revolutie. Politiek is voor hen een kwestie van gevoel: dat iets onzegbaars aan de maatschappij ontbreekt. Ze verlenen hun bijval niet aan een radicale linkse nationalist als de jonge Mussolini. Ze willen terug naar de `normen en waarden'. En het treurige, of komische, is dat die juist door het leven op de plezierboot worden afgeschaft, of daar inmiddels al overboord zijn gezet.

Berlusconi is een bewonderaar van de nieuwe Amerikaanse president. Bush is het eerste staatshoofd bij wie hij op bezoek gaat. (Newsweek, 28 mei, vraagt zich af of er een nieuwe Old Boys' Club in oprichting is). Enige overeenkomst tussen de twee heren is er wel. Berlusconi is voorstander van het raketschild en wil geen afzonderlijke Europese strijdmacht, maar alleen de NAVO. Beiden moeten niets hebben van de verzorgingsstaat. Maar meer dan deze strikt politieke overeenkomsten telt misschien hun geestelijke verwantschap, de reveillistische overtuiging dat iets aan `die troep' moet worden gedaan. Soulmates, schrijft Newsweek.

Het reveil van Bush, sterk steunend op de strapatsen van Bill Clinton, heeft een reusachtige belastingverlaging opgeleverd. Daarna is het vastgelopen in de weigering van zijn voormalige partijgenoot, senator Jefford, om nog langer mee te werken aan de uitvoering van een ultra-conservatieve agenda die niets meer met het het beloofde compassionate conservatism te maken heeft. Hoe het mogelijk is dat Bush geprobeerd heeft zijn halve mandaat, met een hem door het Hooggerechtshof uitgereikt presidentschap, zo ogenblikkelijk zo radicaal te misbruiken, zullen we later misschien horen. De reveillist is in zijn overmoed gestrand. Het zal interessant zijn te zien of hij bij zijn aanstaand bezoek aan Europa nog de voorgenomen omweg naar Rome zal maken.

Berlusconi moet nog aan het regeren beginnen. Intussen hebben de kiezers van drie grote steden, Rome, Napels en Turijn, als burgemeester een tegenstander van de nieuwe leider gekozen. Ze hebben de functie van een Jefford, maar dan meteen al door de kiezers aangewezen. Ze zijn de remmende waarschuwing op de overmoed van de reveillist.

Zoals Pfaff schrijft: dit is geen ernstige tijd, ook al stagneert het regeren vaak in bureaucratie en onzekerheid. Maar het is wel een tijd van overgang, waarin de politiek een nieuwe verhouding zoekt tot de mondialiserende economie en het verder afbrokkelende systeem van de zelfstandige naties. Jospin probeert het nu met een revitalisering van het socialisme; Blair met de voortzetting van zijn tocht op de `derde weg', al wordt die niet meer zo genoemd. In Nederland is het manoeuvreren tot de voortzetting van Paars begonnen. Dat zijn bewegingen waarvan de bedoeling is de continuïteit te bewaren, zonder aanpassingen uit de weg te gaan.

Een reveil is iets anders. In deze tijd is het een uiting van verlangen naar de overzichtelijkheid van een wereld die verdwenen is, met behoud van alle voordelen van de wereld van nu, die snelle beweging en onoverzichtelijkheid als eerste waarmerken heeft. Het verlangen naar een reveil is irrationeel. Maar dat betekent niet dat het geen bron van politieke energie zou zijn. Degenen die zich als reveillisten aandienen, proberen deze bron aan te boren, zonder te weten wat ze met de energie moeten beginnen als ze erin geslaagd zijn. Stop de uitverkoop van de beschaving. Leefbaar Nederland. Conservatisme met compassie. Al dat reveillisme is niet uit het niets voortgekomen. `Er zit iets in', zoals vroeger wel van Mussolini werd gezegd. Maar een reveillist in deze tijd belooft te veel; exploiteert een gevoel van onvrede dat niet diep genoeg is om er een radicaal programma van hervormingen mee uit te voeren. En als dan het uur van zijn waarheid aanbreekt, blijkt dat hij geen radicaal programma heeft, maar een samenraapsel, zoals Pfaff het noemt. Geen ernstige tijd. Of, nog niet ernstig genoeg.