Dorpsverkiezingen (2)

Een maand voor de verkiezingen gonsde het in alle steden van Frankrijk. Overal verdrongen zich kandidaten voor het burgemeesterschap. De media roerden zich en toonden ons kandidaten op markten en in winkelstraten. Je zag ze handen schudden, praten met voorbijgangers en na afloop verklaren dat ze `weer veel geleerd hadden'. Kortom, er gebeurde wat. Overal, maar niet in ons dorp. In ons dorp Cussy, in de heuvels van de Morvan, roerde zich niets.

Dit jaar zouden voor het eerst de ingezetenen uit de andere Europese landen mogen meedoen aan de verkiezingen. Dat was mooi, maar dan moet je wel weten wat er straks te kiezen valt. De vraag was dus: wie zijn er straks de kandidaten?

Het ambt van burgemeester is interessant in dit land: een politicus met een beetje ambitie moet minstens eenmaal burgemeester zijn. De baan geeft grote, bijna ongecontroleerde macht en is de opstap naar Hoger Honing. President Chirac heeft voor zijn verkiezing tot president driemaal een ambtstermijn in Parijs volbracht.

Maar bij ons in het dorp wist niemand nog ergens van. Ik vroeg het in de epicerie (kruidenierswinkel) en aan een willekeurige voorbijganger in de hoofdstraat. ,,Verkiezingen?'' De mensen trokken een grimas. ,,Ah, monsieur, weet u, la politique...'' Ze maakten een gebaar van weggooien over de schouder. ,,Ma foi, monsieur, c'est de la merde...'' (Ach, het is troep om weg te gooien, meneer...)

Maar toch wilde ik weten waaraan ik mee mocht doen. Het wachten was op een gelegenheid om de `welingelichte kringen', die ook in ons dorp bestaan, te spreken te krijgen. En die gelegenheid kwam toen een uitnodiging in de bus viel voor een feestelijke bijeenkomst, een cocktail in de salle de fêtes (feestzaal), ter viering van het behaalde vakdiploma voor het kappersvak door Nelly Brochot van de kapsalon in het dorp, tegenover hotel-café-restaurant `le Cussysois'. Een bijeenkomst waar le tout Cussy aanwezig zou zijn. Nu goed, wij erheen.

De `salle de fêtes' in ons dorp is, net als in de meeste andere dorpen, een gebouwtje dat uitmunt door sombere lelijkheid. In de schemerige zaal troffen we een menigte, waarin ik vele bekenden zag, met Nelly zelf voorop, jong en stralend in haar feestjurk.

Gaudillot, nog steeds burgemeester, hield een toespraak, vermoedelijk zijn laatste. Nog eenmaal trok hij alle registers open en nog eenmaal was hij de schoolmeester van vroeger. Hij sprak over de jeugd, over een doel dat je kiest en ook bereikt met ijver en toewijding. ,,Maar al die energie leidde tot niets'', zei hij, ,,als niet ouderen daar richting en steun aan gaven. En wat dat laatste betreft'', zei hij cryptisch, ,,danken wij alle betrokkenen, die niet hoeven te worden genoemd.'' Uit zijn woorden kon je twee dingen opmaken. Ten eerste: Nelly had, uit oogpunt van regelgeving, haar ambacht tot dusver bij gedogen uitgeoefend. Ten tweede: Nelly had de financiering van haar bedrijfsruimte rondgekregen via het onduidelijke circuit van gunsten en diensten met `betrokkenen die liever niet genoemd werden'.

Op naar de cocktail, bestaande uit een Crémant de Bourgogne, mousserende witte wijn, de trots van de streek, die wachtte op een lange tafel achterin de zaal. Nelly wilde daar met ons klinken en had al een fluit in de hand. Daarheen schuifelend, liepen we op met Henri Pernotte, makelaar o.g., en zijn vrouw, tevens eigenaars van de bistro le Racotier, een modern geoutilleerde bar-bodega recht tegenover het gemeentehuis.

Ik kreeg een ingeving en vroeg Pernotte: ,,Is het waar, monsieur, dat u bij de komende verkiezingen de kandidaat van rechts zal zijn?'' Hij draaide zich half naar mij toe en antwoordde: ,,Inderdaad, dat klopt, dat ben ik.'' En prompt daarop: ,,En zou u bij mij op de lijst willen komen?''

Ik stond perplex, maar voelde me ook gevleid door dit getuigschrift van erkend burgerschap. En ik wees zijn aanbod vriendelijk maar beslist af, met als argument dat het openbaar bestuur hier maar beter voorlopig une affaire franco-française (een zaak van Fransen onder elkaar) kon blijven. Ook beloofde ik spoedig langs te komen, om meer te horen over zijn lijst en zijn programma.

Nu kende ik de helft van het politieke plaatje. Maar wie zou de kandidaat van links zijn? Dat hoorde ik een dag later: ik moest naar buurtschap le Prey, iets boven ons op de heuvelrug, naar Guy-François Verdier, die daar woonde in `het enige huis met de toren'. Een week later bezocht ik hem.

Bij de oprijlaan zag ik het al: het onderkomen van de kandidaat van links was allerminst een proletarische plaggenhut te noemen... Maar wat zegt dat?