De lange lijdensweg van president Wahid

President Wahid en het Indonesische parlement zijn verwikkeld in een constitutionele crisis. Maar de strijd gaat ook over politieke macht. Hoe het zo kwam en hoe het verder gaat.

Het Indonesische parlement heeft vandaag voor de vierde achtereenvolgende maal in de huidige zittingsperiode zijn recht van toezicht op het staatshoofd opgeëist en daaruit deze keer de uiterste consequentie getrokken. Na een interpellatiedebat – vorig jaar juli – en een tweetal schriftelijke waarschuwingen – op 1 februari en 30 april – besloot de volksvertegenwoordiging vanmiddag met een overweldigende meerderheid om president Abdurrahman Wahid te onderwerpen aan een politiek proces door het zogenoemde Volkscongres. Dit is volgens de uit 1945 daterende grondwet het hoogste college van staat dat de hoofdlijnen van het regeringsbeleid uitzet en de president en vice-president kiest.

Wahid blijft intussen bij zijn standpunt dat het – in 1999 voor het eerst in 44 jaar democratisch verkozen – parlement zijn bevoegdheden overschrijdt en, vooruitlopend op een grondwetswijziging, het land en hemzelf een parlementair systeem opdringt. Wahid is van mening dat het parlement in het huidige presidentiële bestel het staatshoofd niet ter verantwoording kan roepen, omdat alleen het Volkscongres hiertoe bevoegd is. Het parlement wijst deze zienswijze van de hand en beklemtoont dat het drie rechten heeft: wetgevende bevoegdheid (in samenspel met het staatshoofd en diens regering), budgetrecht en het recht van toezicht op de uitvoerende macht.

Dit is de harde kern van de nu al een jaar slepende controverse tussen president en volksvertegenwoordiging, die inmiddels is ontaard in een ware vete, waarin geen van beide partijen een duimbreed wenst toe te geven. Beide kampen beroepen zich op de grondwet, maar de vete heeft behalve een constitutionele ook een machtspolitieke achtergrond.

Toen Wahid in oktober 1999 aantrad, toonde hij zich voorstander van vermindering van de schier onbeperkte macht die de grondwet het staatshoofd toekent en van meer evenwicht in de verhouding tussen wetgevende en uitvoerende macht. Aanpassing van de grondwet is echter vorig jaar door het Volkscongres vooruitgeschoven naar 2002 en Wahid blijkt intussen weinig moeite te hebben met zijn verreikende bevoegdheden.

De ambivalentie van deze overgangsperiode trad al meteen aan het licht in november 1999, toen de president zijn eerste kabinet presenteerde. Zijn voorgangers Soeharto en Habibie hadden hun regeerploegen eigenhandig samengesteld. `Hun' bewindslieden golden als `assistenten' van het staatshoofd. Wahid, wiens partij slechts beschikt over 10 procent van de zetels in het parlement, heeft zijn verkiezing te danken aan een bonte gelegenheidscoalitie. Bij de samenstelling van zijn eerste regeerploeg schakelde hij de politieke leiders in die hem aan het hoogste ambt hadden geholpen en hij gunde al hun partijen kabinetszetels.

In april vorig jaar kwam hij terug op deze semi-parlementaire formule. Hij ontsloeg, zonder ruggespraak met de partijleiders in kwestie, twee ministers en verving die door geestverwanten. De ontslagen ministers waren lid van de twee grootste partijen: de nationalistische PDI-P van vice-president Megawati en Golkar, ooit Soeharto's politieke vehikel. Daardoor kreeg hij het aan de stok met een parlementaire meerderheid, die nog werd versterkt door islamitische partijen die niets wilden weten van Wahids voorstel om het uit 1966 daterende verbod op de communistische partij op te heffen. Sindsdien is de verhouding tussen de weinig tactvol opererende Wahid en het parlement alleen maar verslechterd en vandaag bereikte die een dieptepunt.

Als de president tijdens zijn ambtsperiode een misdrijf begaat, zijn ambtseed schendt of de hoofdlijnen van het regeringsbeleid aan zijn laars lapt, kan hij worden afgezet, maar de procedure vergt tijd. Het parlement kan hem een eerste waarschuwing geven (en deed dat op 1 februari). Wordt die door de president niet gehonoreerd, kan een tweede waarschuwing volgen (dat gebeurde op 30 april). Daarna heeft de president nog een maand de tijd om zijn leven te beteren. Doet hij dat onvoldoende in de ogen van het parlement, dan kan dit het presidium van het Volkscongres verzoeken een Buitengewone Zitting te beleggen en de president ter verantwoording te roepen.

Dat besluit viel vandaag. Het Volkscongres bestaat uit alle 500 leden van het parlement, aangevuld met 200 afgevaardigden van provincies en maatschappelijke organisaties. De parlementaire meerderheid die vandaag besloot tot een buitengewone zitting zou in het Volkscongres volstaan om Wahid af te zetten.