De grote lijnen van Herman Wijffels

De commissie-Wijffels bracht gisteren een rapport naar buiten over de veehouderij. Conclusie: alles moet anders.

,,Vrome praatjes,'' zegt Pieter ter Veer (D66), woordvoerder landbouw in de Tweede Kamer, over de toekomstvisie van de commissie-Wijffels op de veehouderij. ,,Er staat geen enkel concreet punt in, er worden geen keuzen gemaakt. Ik vind het niks.''

,,Het is een helder, hard en onontkoombaar rapport,'' zegt evenwel Ter Veers partijgenoot en minister van Landbouw Laurens-Jan Brinkhorst, die de commissie benoemde. Hij is er blij mee: ,,De kracht ligt in de samenhangende visie. Het is het einde van de intensieve veeteelt zoals wij die kennen. Het einde van de vrijgevochten, opportunistische veehouder.''

Vijf weken kreeg de denkgroep onder leiding van oud-Rabotopman en SER-voorzitter Herman Wijffels van Brinkhorst om de toekomst van de veehouderij in Nederland in kaart te brengen. Dat is niet lang, erkende Brinkhorst, maar hij had Wijffels ook niet gevraagd om gedetailleerde aanbevelingen ,,op de vierkante centimeter''. Het ging om de ,,brede penseelstreken''. Een stuk dat ,,agenderend'' en ,,richtinggevend'' moet zijn in de maatschappelijke discussie over de veehouderij, die na de crises rond BSE-koeien en dioxinekippen door mond- en klauwzeer naar een nieuw kookpunt is gebracht.

Zo'n rapport van grote lijnen is er gisteren gekomen. De commissie, samengesteld uit ambtenaren, professoren en directeuren uit de vleesverwerkende industrie, schraapte en schrapte een rapport van 22 velletjes bijeen (inhoud, opdracht en voorwoord incluis), waarin `het detail' inderdaad wordt vermeden, maar de grote lijn radicaal wordt getrokken.

Met name de intensieve veehouderij moet verregaand veranderen. ,,Varkens moeten wroeten, kippen scharrelen en de koe moet in de wei'', staat er. Het natuurlijk gedrag van het dier moet weer centraal komen te staan.

Dat geluid is na dertig jaar langzaam aanzwellende dieren- en natuurbeschermende bewegingen op zich niet meer revolutionair maar de erkenning ervan door een commissie waarin ook het landbouwbedrijfsleven ruim is vertegenwoordigd, met directeuren van grote concerns als het kalverimperium Alpuro en varkensslachter Dumeco, is een teken dat de tijd rijp wordt geacht voor verandering. Wijffels draaide er gisteren niet omheen dat de veehouderij te ver is doorgeschoten in zijn benadering van dieren als ,,productiemachines'' die tot het absolute maximum van hun vermogen werden worden opgevoerd. Met gevolgen die ook de sector zelf in de knel zetten, volgens Wijffels. Overproductie leidt tot ,,gebrekkige weerstand'', die bij het minste of geringste enorme gevolgen kan hebben.

Wat volgens de commissie moet verdwijnen, is vooral de opportunistische, louter winstmaximaliserende mentaliteit van veehouders. De intensieve veehouderij zelf verdwijnt daarmee overigens niet, al moet zij wel verregaand worden gereorganiseerd.

Maar concrete voorstellen daarvoor doet de commissie nauwelijks. Zij formuleert vooral een filosofie, die overigens in haar strekking ook weer niet nieuw is: áls de veehouderij `duurzaam' wil worden, moeten de ecologische, sociale én economische voorwaarden daarnaar zijn. Anders gezegd: respect voor het natuurlijk gedrag voor dieren moet samengaan met een productieproces waarin boeren garandeerd eerlijke prijzen krijgen voor hoogwaardige producten. Ze moeten daarvoor samenwerken met landbouwverwerkende bedrijven in vaste relaties, `co-makership', waarvan de verschillende onderdelen doorzichtig zijn voor controle door overheid en voor de consument. En de consument moet ook meewerken, door bereid te zijn meer te betalen voor het betere product. Wijffels is ervan overtuigd dat de consument daartoe bereid is met de nodige marketing natuurlijk.

Wel zijn er enige concrete aanbevelingen voor reorganisatie van de sector. Wijffels stelt voor intensieve veehouderijen niet meer te beschouwen als landbouwbedrijven, maar als `gewone industriële bedrijven' die een vestigingsvergunning nodig hebben. Daardoor kunnen boeren beter individueel worden aangesproken op hun bedrijfsvoering en tegelijk worden gebonden aan strenge normen voor milieu, stank- en lawaaioverlast en dierenwelzijn.

Over die normen spreekt de commissie zich niet in detail uit, zoals er in het algemeen weinig getallen en concrete voorstellen in haar rapport staan. Wie zoekt naar de omvang van het toekomstige hok van het varken, vindt niets, behalve de algemene notie dat het moet kunnen wroeten ,,maar dat kan ook op een bos stro'', nuanceerde Wijffels zelf gisteren. Voor pluimveebedrijven gaan de gevolgen verder, als je de lijn van het rapport doortrekt: als kippen mogen scharrelen, is niet alleen de door Europese regelgeving toch al verdwijnende legbatterij uit den boze, maar ook het iets ruimere alternatief, de `verrijkte kooi''.

Nederland moet niet aarzelen verder te gaan dan Europese regels, zegt Wijffels daarover: ,,Die voorlopersrol hebben we in het verleden ook gespeeld bij het ontwikkelen van een scherpe prijsconcurrentie.'' De intensieve varkenshouderij werd in de jaren zeventig groot door de goedkope aanvoer van grondstoffen van veevoer door de haven van Rotterdam.

Concrete voorstellen voor het inkrimpen van die veestapel, nog altijd elf miljoen varkens groot, doet de commissie niet. ,,We hebben het wel over gehad'', zei hij gisteren, ,,maar wat moet je dan als doel stellen: terug naar tachtig of negentig procent? Inkrimping is niet nuttig als doel op zichzelf van het beleid.''

Eerder had hij al gezegd dat je ,,geen groot profeet hoeft te zijn'' om te zien dat dat de intensieve veehouderij de komende jaren kleiner zal worden. Het behoeft evenmin profetische gaven om de ,,vrome praatjes'' van Wijffels te lezen als opmaat voor verregaande verandering van de veehouderij áls de consument wil meewerken.