Staat van de Unie

,,OMDAT IK geen lauwe Europeaan ben, wil ik geen zouteloos Europa'', zei premier Jospin gisteren tegen het einde van zijn verhandeling over de toekomst van Europa. Zijn bijdrage aan wat intussen het Europese discours heet, werd met spanning tegemoetgezien sinds de Duitse minister Fischer, sprekend als privé-persoon, een jaar geleden met een pleidooi voor versterking van de supranationaliteit in de Unie een steen in de vijver had geworpen. President Chirac had daarna van de gelegenheid gebruikgemaakt om het presidentiële primaat in de Franse politiek te onderstrepen. Hij pleitte in de Duitse Bondsdag tegen een Verenigde Staten van Europa en voor een Europa van verenigde natie-staten. Kortgeleden haastte kanselier Schröder zich zijn naam te verbinden aan een intern SPD-document dat, na te zijn uitgelekt, dankzij zijn federale intenties extern veel opzien baarde.

En nu dan Jospin, als burger tussen de burgers. Hij meent dat een `fédération d'Etats-nations' inhoudt dat de nationale parlementen beter worden verbonden met de Europese constructie. De Franse premier denkt aan een Permanente Conferentie van Parlementen of een Congres met een ,,werkelijk politieke rol''. Dit nieuwe orgaan ziet toe op het respect dat de communautaire instellingen betonen aan het beginsel van de subsidiariteit en bespreekt jaarlijks de `staat van de Unie'. Dit lichaam zou ook relatief technische verdragsveranderingen voor zijn rekening kunnen nemen.

IN HET MODEL-JOSPIN wordt het Europese bestuur niet simpeler en doorzichtiger, hoewel de premier daarvan wel voorstander zegt te zijn. Behalve het parlementaire Congres wil hij een soort onderraad van Europese vice-premiers die uitvoert wat in de Europese Raad van staats- en regeringsleiders is besloten. Hij noemt de stapeling van bestuurslagen noodzakelijk om het evenwicht tussen de bestaande instellingen te versterken.

Maar gezien de exclusieve en groeiende macht van de Raad – zelf een nog relatief jong orgaan in het verenigd Europa – is er van evenwicht geen sprake. Jospins pleidooi voor versterking van de positie van de Commissie en van het Europees Parlement verliest door de nevenschikking met nieuwe instellingen die de rol van de lidstaten moeten versterken dan ook aan geloofwaardigheid.

De Franse premier noemt zich voorstander van subsidiariteit – beslissen op het meest gerede bestuursniveau. Maar hij verzet zich tegen Schröders voorstel om landbouw te renationaliseren. Hij acht het tegenstrijdig de Europese samenwerking te willen versterken, zoals de Duitsers zeggen te willen, en gelijktijdig de belangrijkste en oudste vorm van integratie te willen ontmantelen. Dat kan ook Nederland zich aantrekken dat wel wat ziet in cofinanciering in deze beleidssector, een aanpak die de armste landen voor het blok zet: geen Europese bijdrage als er geen 'nationaal geld' beschikbaar is. De klassieke tegenstelling tussen nettobetalers en netto-ontvangers laat ook een discours over Europese idealen en instellingen niet ongemoeid.

DE VRAAG MAG intussen gesteld worden of Europa en zijn burgers met dit discours zijn gediend. Het is tot dusver meer Duits-Frans dan Europees en het komt in de plaats van wat vroeger de Frans-Duitse as of de Frans-Duitse motor werd genoemd. Die as leverde steevast kort voor een Europese top een Frans-Duits schrijven op aan de voorzitter van het moment. Daarmee hadden de andere deelnemers aan de top een richtsnoer voor hun bijdragen en uiteindelijke opstelling. De rest van Europa lijkt nu af te wachten wat dit discours zoal oplevert, verlangend als het is naar herstel van de motor.

Jospin wil de kandidaat-landen betrekken bij het debat over de toekomst van Europa, maar hij zou eerst nog het zwijgen van de huidige lidstaten moeten zien te verbreken. Want het lijkt onwaarschijnlijk dat Fransen en Duitsers hun gepeperde tegenstellingen via dit langs-elkaar-heenpraten zullen overwinnen. Laten de anderen kleur bekennen.