Luikje

Het huis waar ik woon was vroeger een kamerverhuurbedrijf. Toen ik er kwam was de bevolking al flink uitgedund, maar het schijnt dat er soms meer dan twintig mensen woonden in de ruimtes die wij nu met zijn tweeën bezetten.

Er werd me verteld dat de vermaarde journalisten W.L. Brugsma en Joop van Tijn er ook nog een tijdje hadden gezeten, zodat je zou kunnen zeggen dat mijn werk in een journalistieke traditie staat. Of hun geest in mij waait weet ik niet. Brugsma orgelde me te veel, al had hij ook wel eens iets aardigs, zoals toen hij schreef over een Franse fotograaf die van zijn onkostendeclaraties een kunst had gemaakt.

In Noord-Afrika kocht de fotograaf eens een ezel om zijn spullen te dragen. Of hij hem echt had gekocht weten we niet, maar dankzij Brugsma weten we wel dat de onkostendeclaratie die hij naar de redactie van zijn tijdschrift stuurde er zo uitzag: Aankoop ezel 1.200 francs, verkoop ezel 1.000, verlies op ezel 200, totaal kosten ezel 2.400. Daar had ik wat van kunnen leren, een zekere levenskunst, maar ik was al te veel in kruideniersgewoonten verstard toen ik zag hoe het in de grote journalistiek toeging.

Maar goed, om op dat huis terug te komen, een van die vroegere bewoners werd beschreven als een zonderling die de hele dag zei: ,,O jee, o jee. O jee, o jee.'' Hij had er allerlei verschillende intonaties voor, soms werd de o lang uitgerekt, soms de jee, en het ging maar door, of hij nu op zijn kamertje was of in het trappenhuis, en de andere bewoners werden er gek van.

De zonderling woonde op zolder en onder hem, in een klein kamertje waar nu net een flink bureau in kan staan, was de woon- en werkruimte van een prostituée. Toen de zonderling tot opluchting van iedereen uit het huis was vertrokken, bleek dat hij in de vloer van zijn zolderkamer een gat had uitgezaagd dat met een stukje karton bedekt was. Rondom het gat lagen tientallen sigarettenpeuken. Zo had hij dus dagelijks door dat gat naar het zondige leven van zijn benedenbuurvrouw zitten kijken, zachtjes mompelend om zich niet te verraden: o jee, o jee.

De herinnering aan het verhaal over deze beklagenswaardige bewoner (en laat me er met de grootst mogelijke nadruk op wijzen dat het niet om de heren Brugsma of Van Tijn gaat) kwam bij me op toen ik een tijdje geleden het grappige bericht las over het compromis dat het Amsterdamse gemeentebestuur heeft gesloten met de bewoners van het kraakpand Vrankrijk aan de Spuistraat. Het is niet zomaar een kraakpand, maar een gebouw waarvoor meestal het woord `krakersbolwerk' wordt gebruikt. Het is internationaal vermaard.

In het pand is al vele jaren een café, dat geen vergunning heeft. De burgemeesters Patijn en Cohen eisten dat de krakers een horecavergunning zouden aanvragen en de daarbij horende politiecontrole zouden accepteren. Geen politie in onze vrijstaat, zeiden de krakers. De burgemeesters, eerst Patijn en later Cohen, rolden met hun spierballen en lieten weten dat er in dat geval geen andere mogelijkheid dan ontruiming was.

Nou, dat zullen we nog wel eens zien, dan komen alle bevriende vrijdenkers uit heel West-Europa hier naar toe en dan kan de gemeente een spectaculaire repetitie voor het grote evenement van het prinselijk huwelijk van volgend jaar beleven. Ik weet niet of de krakers dat zeiden. Ze hoefden het niet te zeggen, want het was duidelijk genoeg.

De burgemeester ontspande zijn spierballen weer en een week of twee geleden werd een compromis bereikt waarmee iedereen kon leven. De vergunning wordt aangevraagd. De politie mag controle uitoefenen, maar niet het pand betreden. Ze blijft op straat en mag door een luikje naar binnen kijken of de voorgeschreven sluitingstijd gehandhaafd wordt.

Arme agenten. Dat luikje zal hun waarschijnlijk geen panoramisch uitzicht bieden. Ze staan er met hun neus op, maar veel zien ze niet en ze kunnen slechts vermoeden welke zonden zich buiten hun blikveld afspelen. Staat daar trouwens niet een nog gevuld glas dat al lang leeg had moeten zijn? O jee, o jee, mompelen de agenten, zachtjes om geen aanstoot te geven, want met een harde confrontatie is niemand gebaat.

Eerlijk gezegd denk ik niet dat het echt zo zal gaan, omdat het waarschijnlijk niet de bedoeling is dat de politie ook werkelijk toezicht zal uitoefenen. Dat het hun in theorie is toegestaan is een overwinning waarmee het gezag tevreden is.

Over een tijdje, als de BV Nederland geheel geprivatiseerd is, komt dat luikje in het Museum van de Terugtrekkende Overheid, samen met het conducteurshokje in de tram waar geen conducteur in zit en met de hekjes in de metro die niet dicht kunnen en de reizigers er slechts op wijzen dat zulke hekjes in andere landen dienen om de passagiers te dwingen een kaartje te kopen.

Een van de hoogtepunten van het museum is een gemummificeerde stadswacht, een functionaris die de taak had om wetsovertredingen te signaleren, maar iedere bevoegdheid miste om daar ook iets tegen te doen.

Wie zou de vrijheidsstrijders van Vrankrijk hun ongecontroleerde biertje misgunnen? Ze hebben het hart waarschijnlijk op de goede plaats. Een van de acties die daar vroeger georganiseerd zijn, had het motto: `Vrouwen urineren voor een vrij Europa'. Spreekt daar niet zowel een benijdenswaardige schaamteloosheid als ook, met dat preutse woord `urineren', een prettige deftigheid uit? Nou dan.

Toch kijkt het buitenland nog steeds raar op van het Nederlandse gedoogbeleid. De jurist ziet er rechtsonzekerheid in en de logicus een interne inconsistentie van het systeem.

Er wordt wel gezegd dat geen enkele staat de totale wetshandhaving kan nastreven en dat er in de praktijk overal van alles gedoogd wordt, maar dat is toch iets anders dan een officieel gedoogbeleid.

Het is alsof er in Nederland een wet is die zegt: onze wetten gelden soms wel en soms niet. Toch werkt het systeem. Het buitenland kan van onze praktijk een van de theoretische inzichten van de late Wittgenstein leren: dat een interne paradox een logisch systeem nog niet onbruikbaar maakt.