Journalistieke foto's van hoog niveau

Het zevende fotofestival van Naarden omvat duizenden opnamen. Op de hoofdtentoonstelling zijn zo'n 400 foto's te zien van 9 Chinese en 18 Nederlandse fotografen. Het overzicht van reclamefotografie biedt er 200 en dan zijn er nog negen solo-exposities: van een metershoge installatie met gekopieerde foto's (Lieve Prins) tot series over Curaçao (Catrien Ariëns) en het Engeland van de jaren zestig (John Claridge). Verder doen er drie Nederlandse kunstacademies mee (70 foto's); er hangen veertig opnamen van de onlangs overleden Nederlandse fotograaf Johan Vigeveno, vijftig van Henrik Saxgren met het gruwelijke, door kindhoeren en junks bevolkte Nicaragua, en laten we de negentig foto's van de geëngageerde fotografenorganisatie GKf niet vergeten. Niet verwonderlijk dat er na verloop van tijd één diffuse beeldpap in het hoofd ontstaat.

Toch is de gemiddelde kwaliteit van dit traditioneel op journalistieke fotografie geënte festival opnieuw hoog. Ariëns' kleurenfoto's van het alledaagse Curaçao roepen een warm eilandgevoel op. En Vigeveno portretteerde op prachtige, ingetogen wijze dansers van het Nationaal Ballet, zoals Caroline Sayo Lura, die hij schuin van boven fotografeerde waardoor ze zowel zwemmen als zweven. Maar wat vooral beklijft zijn de kleinere en stillere presentaties, zoals de geënsceneerde familiefoto's van Bert Sissingh, aan de buitenmuur van een loods. Met zichzelf in de hoofdrol fotografeerde Sissingh (1956) vier jaar lang de driehoeksrelatie met zijn bejaarde ouders, wat resulteerde in even vrolijke als beklemmende historische toneelstukjes. Eveneens opvallend is het werk van Martijn van de Griendt in een tot galerie omgetoverde voormalige kazemat. Van de Griendt (1970) trok naar Ballymun, een Bijlmer-achtige wijk in het Ierse Dublin, waar de vrouwen onveranderlijk lijvig zijn, de kinderen slonzig en de mannen aan de drank. Met zijn spetterend kleurgebruik dwingt Van de Griendt tot kijken, terwijl je je het liefst zou willen afwenden.

Wat geldt voor de manifestatie als geheel, geldt ook voor de hoofdtentoonstelling China-Naarden Wall-to-Wall. Een beeld van het `andere' China, `balancerend tussen consumentisme en communisme' (aldus de catalogus). Opgezet als een drieluik, wordt werk getoond van hedendaagse Chinese fotografen, een handvol Nederlanders die het land in het verleden bezochten en drie jonge Nederlandse fotografen met een Chinese achtergrond – en dat is te veel van het goede. Zeker wat betreft de Nederlandse bijdrage: straatbeelden van Daniël Koning, Koen Wessing en Ed van der Elsken; de harde armoedefoto's van Peter Martens; (hotel)interieurs van Wijnanda de Roo, landelijke taferelen van Pieter Griffioen en stedelijke van Vincent Mentzel; panoramafoto's van fietsend Beijing gemaakt door Hans van der Meer; punkers van Venus Veldhoen – het beeld van het `andere' China raakt eerder versnipperd dan dat het zich verdiept. De presentatie had aan inzichtelijkheid gewonnen als er uit al het beschikbare werk één coherente selectie was samengesteld.

De zowel journalistieke als autonome bijdragen van de Chinese deelnemers aan de tentoonstelling zijn opmerkelijk, al was het maar omdat hun werk in het Westen weinig wordt gezien. De omstandigheden in het land zijn allerminst optimaal voor moderne fotografen en beeldend kunstenaars. Veel publicatiemogelijkheden voor hun onafhankelijke werk zijn er niet, en zelfs in een stad als Beijing (dertien miljoen inwoners) vind je maar een handjevol professionele galerieën. Maar zeldzaamheid noch condities staan garant voor fotografische kwaliteit, zoals onder meer blijkt uit de tamelijk voorspelbare reportageseries van Wang Zheng en Wang Yao (eerder dit jaar World Press Photo-winnares in de categorie cultuur). Zheng fotografeerde het dagelijks leven van moslims op de Huang Tang hoogvlakte – dus: schrale aarde, schapenhoeders en kinderen gebogen over de Koran. Yao doet verslag van het leven in een vrouwengevangenis, maar die wereld is in vele soorten en maten (zij het niet uit China) al eerder onthuld.

Ook hier raak je liever in de ban van de ingetogenheid, zoals bij de ingenieus geconstrueerde beeldverhalen van Zheng Guogu, met zijn foto's van speelgoed-auto's en -vliegtuigen; de negatieven (soms meer dan 300) rangschikt hij voor een nieuwe (contact)afdruk. Bij het maken van die afdruk legt hij een dia voor de lamp van zijn vergroter zodat in het totaal van de foto's een gekleurd patroon ontstaat, waarin zich gezichten laten herkennen. Alsof Guogu wil zeggen dat is nu de consument die al die hebbedingen wenst te hebben.

Hartveroverend, tenslotte, zijn de verstilde plattelandsinterieurs van Jiang Jian. Hij beperkte zich tot een klerenkast van een tussen twee muren ingeklemde stok, een fiets geparkeerd tegen een bed, het licht dat door een tralievenster op een steelpannetje kiert. Die koele registratie doet denken aan de foto's die Walker Evans in de jaren dertig maakte op het Amerikaanse platteland, maar zijn sfeergevoel is eerder Oost-Europees. Jians interieurs ogen onveranderlijk armoedig en middeleeuws, maar hier en daar tekenen de veranderingen zich af – dan staat er een televisie voor een pokdalige muur, een spuitbus met `glossy moisturizing mousse' op de `kaptafel', een blikje Cola tussen de meloenen. Terloopse elementen, waarmee hij het veranderende China dicht op de huid zit.

Fotofestival Naarden. T/m 17/6 op diverse locaties in Naarden-Vesting. Inl.: 06 29308438 (14-18u). Internet: www.fotofestival.com. Toegang: ƒ25 (alle exposities eenmalig), ƒ40 (alle exposities onbeperkt). Catalogus: ƒ75