Het raadsel scholekster

Bijna had ik ze platgetrapt: drie scholekstereieren, medio april, diep in de achtertuin, midden in het gras. Meteen een paar flinke stokken als bakens eromheen geprikt. Sinds 1998 broeden in die hoek elk voorjaar scholeksters – vermoedelijk steeds dezelfde, al weet je dat bij scholeksters niet zeker – waarbij opvalt dat ze alleen broeden als er niemand kijkt, en mogelijk helemaal nooit. Altijd liggen die eieren daar maar. Dit jaar was het niet anders, al lag er een ei meer dan in voorgaande jaren. Enkele meters verder, aan een waterrand, houdt een meerkoet acht eieren op temperatuur en heeft daar een dag- en nachttaak aan. Alleen als ik te dichtbij kom begeeft ze zich kortstondig in de sloot. Een eend, onder een braamstruik veel dichter bij het huis, verliet haar eieren voorzover ik kon vaststellen precies één keer in 23 dagen.

De natuur is ondemocratisch, maar dit gaat wel erg ver. Scholeksters komen weg met een broeddiscipline die andere vogelsoorten op uitsterven zou komen te staan, en als ik zo kort op mijn stukjes broedde ging ik failliet. Ze stappen een beetje in het rond bij hun nest, verder gaat hun betrokkenheid niet; zelfs het afleiden van bezoekers vinden ze te veel moeite, al zou het kunnen dat ze me herkennen.

Of lijkt die onverschilligheid maar zo? Feit is dat de eieren nooit echt koud aanvoelen. En belangrijker nog: jaarlijks komen er kuikens uit. Op een dag zie je ze ineens rondrennen, meestal pas als ze merelgroot zijn.

Dit jaar was de ontmoeting eerder: op 15 mei halverwege de middag zat in twee eieren een klein gaatje. Terwijl hun ouders een stuk verder onbekommerd aan hun carrières werkten, werkten de kinderen zich kapot om hun schalen stuk te krijgen.

Je leest altijd dat kuikens de schaal met hun snavel openpikken. Onbegrijpelijk, want om te pikken moet je je kop heen en weer kunnen bewegen en daarvoor ontbreekt juist de ruimte. Als ik in een ei zat zou ik zoveel mogelijk kracht zetten met mijn voeten, en dat was wat hier gebeurde: er waren stukken scholeksterkuikenvoet te zien, geen scholeksterkuikensnavels. Verder dacht ik altijd dat een beetje vogel binnen een paar minuten uit zijn ei is, maar twee uur later waren de gaten nauwelijks groter.

Ongeveer een etmaal na de eerste ontdekking was ik weer terug, in de overtuiging dat de jongen zich 's nachts hadden vrijgevochten, aan de wandel waren gegaan en dat er geen spoor van ze te bekennen zou zijn. Maar nee: één kuiken zat opgedroogd in het nest en keek rustig om zich heen, een tweede lag er nat naast, de derde was nog druk doende zichzelf ter wereld te brengen.

Hun ouders leken iets meer moeite te doen om mijn aandacht af te leiden dan de dagen daarvoor, maar het verschil was niet dramatisch. Helpen bij het schalen kraken kwam al helemaal niet bij ze op. Het gras is nog zo kort dat ik zeker weet dat er geen volwassen scholekster wegvloog bij mijn nadering.

Ik liep terug met de vraag of scholeksters dan helemaal niets aan kinderzorg doen – en kort daarop kwam het antwoord. Een zware hoosbui barstte uit inktzwarte wolken los over water en land, zeker vijf minuten lang, nog erger dan Erwin Kroll had voorspeld. Zodra het weer droog was spurtte ik terug naar het nest. De grote scholeksters waren er tientallen meters van verwijderd, als altijd. Kuiken nummer drie was nog steeds in gevecht, nummer twee lag nog steeds nat voor apegapen in het gras – en nummer een was nog steeds kurkdroog.

    • Michiel Hegener