Heer Hadjememaar

Wat een leerzaam stuk over Leefbaar Nederland, nationale partij in oprichting, afgelopen zaterdag in deze krant in Z. Wat is Jan Nagel, een van haar goeroes, bijna 62 nu, toch prachtig de kiezersvriend gebleven die hij 35 jaar geleden als jong PvdA-bestuurslid al was. Wat mooi dat hij de democratie zó toegedaan is dat hij het liefst eerst hun opvattingen wil horen voor hij aan zoiets als een kleur of programma voor zijn partij wil denken. Zodat de hoogstscorende frustraties en irritaties op een gepast ogenblik de beste programmatische posities kunnen krijgen. Hij komt er tamelijk rond voor uit. Heer Hadjememaar (gratis jenever), geassisteerd door M. Bakker (geen straaljagers maar de huren omlaag), staat al klaar in de keuken maar houdt de menukaart zo lang mogelijk onbeschreven. U wilt weten wat de prijs is? Nee, bestelt u nu eerst maar eens.

Nagel, langzamerhand zo'n beetje beland in de avond van wat Jan Blokker ,,een levenslange stokebrandenloopbaan'' noemde, was ooit een heel andere opvatting toegedaan. Namelijk de opvatting dat een politieke partij, en zeker een die interessant wil zijn voor jongeren, moet werven voor haar standpunten om zo (meer) aanhangers te krijgen. Zodat kiezers weten waar zij aan toe zijn, en waarom zij wel of niet op partij A, B of C zullen stemmen. Wat heel anders is dan: U vraagt, liefst iets wat aardig in het gehoor ligt, en wij draaien dat dan in ruil voor uw stem. En ook anders dan: U vraagt naar mijn standpunt? Maar dan moet ik eerst even de neuzen tellen, misschien twee keer de neuzen tellen, en dan krijgt u het. Wat zegt u, was ik eerst voor kernenergie en ben ik nu tegen, eerst voor afschrikkende kernwapens (in plaats van dure soldaten) en nu tegen? Zeker, maar toch vraag ik weer uw vertrouwen, want dat ligt aan u, zo houd je trouwens een partij bijeen tussen oud rechts en nieuw links. Wie dat was? Eenmaal raden, zonder prijs.

In zijn boekje Ha, die PvdA! (1966) beschreef Nagel zijn toenmalige standpunt mede ten gerieve van oudere partijgenoten zó: ,,(..) Een partij waartegen ha gezegd kan worden zal in opiniërende zin en op een non-conformistische wijze voorop moeten lopen. Om een aantal actuele zaken te noemen: de staatsvorm, het misbruik van gezag (politie en justitie, ambtenaren, bureaucratische procedures), het voortdurend gekwetst zijn, vooral door radio en tv, op seksueel gebied (waarom niet in het openbaar automaten met voorbehoedmiddelen zoals bijvoorbeeld in Duitsland?), de belangen van de jeugd, de zaken die in de toekomst een uiterst belangrijke rol gaan spelen. En niet te vergeten het militaire apparaat. Maar nogmaals, daar heb je mensen voor nodig met een werkelijk progressieve mentaliteit. Alleen een moderne progressieve partij zal werkelijk voor de geestelijke vrijheid kunnen opkomen. Zij zal ook binnen haar eigen kring dat moeten kunnen dulden. Als er maar duidelijke partijstandpunten uit tevoorschijn komen. (..)''

De intentie was goed, die tekst was duidelijk, al kon je je afvragen of er over de belangen van de jeugd en die belangrijke zaken voor de toekomst niet iets concreter had kunnen worden gesproken. Andere kanttekening: het trefwoord progressief had indertijd de waarde van een een onbeschermde titel, al was het maar omdat bijna iedereen dat was, of wilde wezen, of wilde worden, of ervoor wilde worden aangezien, of er echt heel sympathiek over zei te denken. Of er, als confessioneel bijvoorbeeld, als het even mogelijk was, desgevraagd graag een kniebuiging voor maakte. Zoals menig confessioneel politicus even later zaterdags in het door Nagel bedachte VARA-radioprogramma In de Rode Haan onder applaus bereid was om verontschuldiging te komen vragen voor zijn bestaan. De VVD'ers van de jongeheer Wiegel werden niet uitgenodigd, want die werden onder diens leiding `gewoon zichzelf'. Zij werden groot, ze wilden niet progressief zijn, zeker niet `werkelijk progressief', ze waren op hun manier ook duidelijk en hadden nergens spijt van. In zekere zin werden zij destijds ook al slapend rijk.

Het waren toen barre tijden met veel progressieve duidelijkheden, ook wat de toestand buiten Nederland betrof. Wie een paar keer de Rode Haan beluisterd had (of het dagelijkse Dingen van de dag van dezelfde omroep) moest wel haast menen dat het halen van de nieuwe aardappels een verloren optie was. Zo was de tijdgeest: Nederland was in die tijd zó progressief, dat mensen buitengewoon progressief moesten zijn om duidelijk te zijn. Nuances waren rechts, net als sommige feiten trouwens.

Wat zijn er destijds in ontzuilend en deconfessionaliserend Nederland veel vaders en moeders het raam uit gevlogen, vaak in gezelschap van een man met een baard die aan de muur soms bijna direct door een andere baardige man werd opgevolgd. Die culturele revolutie van de aanstormende babyboomers – submotto in witte inkt: opzij, opzij, wij zijn jong en nieuw en we willen er snel langs – is al zó lang geleden geslaagd dat de begunstigden nu vaak andere teksten spreken. De tijden veranderen immers, al blijven zij, tot ergernis van een opvolgende generatie onder een inmiddels paarse hemel, in veel gevallen stevig in hun prettige stoelen zitten. Overzichtelijk dramaatje, dat in de schepping al was voorzien. Een debat erover in de Volkskrant, hét medium voor bespreking van zulk onrecht, is alweer geëindigd.

Nagel is van een ambitieuze twintiger een ambitieuze zestiger geworden. Maar onverminderd een man met een scherpe neus voor de geuren die langskomen. Het project Leefbaar Nederland geeft daarvan blijk, heeft dat trouwens al gedaan op plaatselijk niveau. Weliswaar gaat het zeer veel Nederlanders materieel nu veel beter dan destijds, maar bij velen is een (al dan niet onbestemd) gevoel van ontevredenheid ook stevig toegenomen. Nagel en Co staan klaar om daarmee wat te doen, terwijl Paars II doet of het al klaar is. Wakker worden, zou het devies voor de grote partijen in de Tweede Kamer moeten zijn, anders wacht er volgend jaar zomer nog een rare kabinetsformatie.