Drugsoorlog

EEN `WAR ON DRUGS' is wel het laatste om mee aan te komen in het Nederlandse parlement. Gedogen en schadebeperking bij drugsgebruik is het parool in het land achter de dijken. Dit beleid heeft Nederland internationaal nogal eens in een geïsoleerde positie gebracht, al zijn er de laatste jaren onmiskenbare tekenen van dooi. Voor nationale verschillen in aanpak behoort altijd ruimte te bestaan zolang het uiteindelijke doel maar duidelijk is: het tegengaan van drugshandel en -gebruik. De Nederlandse invalshoek contrasteert sterk met de harde lijn die met name de Verenigde Staten in praktijk brengen. En uitgerekend daarbij wordt het Nederlandse parlement uitgenodigd aan te haken door het zogeheten FOL-verdrag (Forward Operating Locations). Dit voorziet in het gebruik van bases op Aruba en Curaçao voor Amerikaanse verkenningsvluchten in het Caraïbisch gebied, met name ook boven Colombia. De kritiek is niet van de lucht. Nederland zou zich medeplichtig maken aan een `vuile oorlog' in Colombia.

Het is zaak een aantal dingen uit elkaar te houden. Het FOL-verdrag bevat de beperking dat de Amerikanen de bases alleen gebruiken voor drugsbestrijding en niet tegen de guerrilla in Colombia. In de praktijk zijn er raakvlakken, maar deze twee zaken worden door de verdragspartijen in elk geval nadrukkelijk gescheiden. Daar kan iedereen het zijne van denken, maar het beginsel ,,afspraak is afspraak'' vormt de basis van alle internationale betrekkingen. Zeker tussen landen in een bondgenootschappelijke betrekking. Daar komt bij dat een Amerikaans verzoek om medewerking in het Caraïbisch gebied een extra gewicht heeft. De betrokken landsregeringen in de West zijn trouwens vóór. Evenals de regering in Colombia, waar na vijftig jaar burgeroorlog de ontreddering zo groot is dat men Amerikaanse militaire bemoeienis accepteert.

IN DE TWEEDE KAMER begint zich nu toch een meerderheid voor het verdrag af te tekenen. Natuurlijk is het FOL-verdrag even slikken. Het accent op militaire operaties buitengaats in plaats van op de bijkans onverzadigbare vraag naar cocaÏne in de Amerikaanse binnensteden, verdient bepaald een vraagteken. Het FOL-verdrag betekent echter niet dat Nederland zijn opvattingen over drugsbeleid in de uitverkoop zet. Integendeel, een dergelijk tastbaar blijk van medewerking geeft eerder dan de zoveelste variatie op Nederlandse betweterij aanspraak op een serieuze dialoog met de Amerikanen.