Confessionelen gunnen individu geen vrijheid

Confessionele politici reageerden als gebeten op de parallel die VVD-fractieleider Dijkstal onlangs trok tussen imams en christelijke partijen. Ze zien een in liberaal kleed gehulde intolerantie oprukken. Ten onrechte, vindt Patrick van Schie. Nederland bevrijdt zich eindelijk van een confessioneel dwangsysteem.

Zoekt de VVD na het vertrek van Frits Bolkestein uitsluitend rustige wateren op? Het is Dijkstal wel voor de voeten geworpen. Maar als je de commotie beziet die zijn recente uitspraken onder confessionele politici teweeg hebben gebracht, lijkt de liberale partij nog wel degelijk door woelige baren te durven varen.

Dijkstal noemde op de algemene vergadering van de VVD ,,een groep imams'' onverdraagzaam wegens hun uitspraken over homoseksualiteit als een gevaarlijke, besmettelijke ziekte. De VVD-leider plaatste vervolgens ,,een aantal christelijke partijen, als het gaat om het vraagstuk van de euthanasie, ook bijna in datzelfde kader''. De christelijke partijen reageerden als door een wesp gestoken. De leider van de SGP kaatste op de opiniepagina van deze krant de bal terug. Van der Vlies noemde het liberalisme zelf zeker zo intolerant, omdat het aan de samenleving ,,de godsdienst van de humaniteitskerk'' oplegt. De CDA'ers De Hoop Scheffer en Balkenende volgden enkele dagen later met een soortgelijk verwijt.

De CDA-politici wreven zich overigens vergenoegd in de handen omdat zij de tijden van Abraham Kuyper met zijn `antithese' al zagen terugkeren. Hierin zullen de CDA'ers worden teleurgesteld. Want ons land ziet nu niet de terugkeer van de `antithese', maar de doodsstrijd van een confessioneel dwangsysteem. De liberalen breken dit systeem langzaam – te langzaam, wat mij betreft – af, omdat het een product was van een ideologie die individuen niet serieus nam maar hun voortdurend in persoonlijke zaken de wet wenste voor te schrijven.

Het is nu precies een eeuw geleden dat het kabinet-Kuyper aantrad, waardoor de confessionelen de kans kregen om hun interpretatie van de `christelijke beginselen' via de staat aan de samenleving op te leggen. Sindsdien werden activiteiten van burgers die volgens bijbelse normen verkeerd zouden zijn, door opeenvolgende confessionele kabinetten verboden. Winkeliers werden (vanaf 1911) gedwongen om hun deuren op zondagen te sluiten, omdat `Gods dag' niet mocht worden `ontheiligd'; mensen werd zelfs geen beschikking gegund over het eigen lichaam na de dood, want crematie werd uit den boze verklaard; vrouwelijke ambtenaren kregen (vanaf de jaren dertig) ontslag zodra zij in het huwelijk traden, omdat hun arbeid in strijd zou zijn met de `roeping' van de vrouw; en zo werd in deze geest nog veel meer wettelijk opgelegd of voorgesteld.

De drang van burgers om hun individuele keuzevrijheid hersteld te zien, viel al moeilijker te weerstaan vanaf het moment dat de confessionelen hun absolute meerderheid in het parlement kwijtraakten, dus vanaf het eind van de jaren zestig. Ook het CDA heeft voorzichtige stapjes in de richting van liberalisering moeten zetten. Deze zijn de laatste jaren gevolgd door iets steviger paarse passen. Dit zint de confessionelen klaarblijkelijk niet. Zij kunnen hun systeem waarin de staat wordt gebruikt om burgers te tuchtigen, maar moeilijk loslaten.

De confessionele politici beweren dat de liberalen nu van hun kant de kans grijpen om een eigen systeem aan anderen op te leggen. Wat is er waar van de beschuldiging dat de liberalen de christelijke partijen dwingen tot erkenning van ,,de liberale visie'' (De Hoop Scheffer en Balkenende) of dat zich de contouren van een ,,nieuwe staatsgodsdienst'' aftekenen (Van der Vlies)? Het antwoord kan kort zijn: niets. Er bestaat geen liberale leer die voorschrijft hoe burgers zich in persoonlijke kwesties dienen te gedragen. Liberalen laten in dergelijke gevallen het antwoord op de vraag naar goed en kwaad namelijk aan de individuele burgers zelf over, zolang die burgers althans door hun keuze en bijbehorend gedrag de rechten van hun medeburgers niet aantasten.

Toch heeft Van der Vlies gelijk als hij schrijft dat liberalen geen ,,beginselloze bleekneusjes'' zijn. De fundamentele botsing is inderdaad die tussen de eis van ,,een regering van ons volk geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods' (art. 1 uit het Program van beginselen van de SGP; het CDA belijdt hiervan een afgezwakte variant) en de eis van zelfbepaling van de mens. Het is juist als Van der Vlies meent dat liberalen geen neutrale overheid voorstaan, althans tot op zekere hoogte. Liberalen willen bevorderen dat individuen stevig genoeg in hun schoenen staan om eigen keuzes te kunnen maken. Zij willen het keuzerecht van individuen wettelijk beschermen maar ook willen zij bijvoorbeeld jongeren een opleiding laten genieten die hun niet één overtuiging als de ware voorhoudt, maar die hen zelf een keuze leert maken uit de maatschappelijke en wetenschappelijke diversiteit of hen ertoe aanzet nieuwe wegen te ontdekken.

De CDA'ers De Hoop Scheffer en Balkenende beklagen zich erover dat de liberalen zo weinig ruimte laten aan ,,christelijke maar ook andere levensbeschouwelijke waarden'', waarmee zij bedoelen dat confessionele en andere bedillerige politici hun opvattingen niet langer aan anderen kunnen voorschrijven. Zij kapittelen de liberalen hierover, zich beroepend op de antirevolutionaire leider Kuyper. Maar als zij echt zo graag naar Kuyper luisteren, mogen zij van de liberalen geen concessies verlangen. Kuyper zelf immers schetste vlak na zijn aantreden als premier in 1901 de antithese als het verschil tussen degenen die menen dat ,,de rede alleen uit natuur, historie en consciëntie moet putten'' en degenen die menen dat zij ,,ook te rekenen heeft met hetgeen God op bijzondere wijze omtrent Zijn wil ook voor het volksleven geopenbaard heeft''. Waarop hij liet volgen: ,,Wie dit laatste met vast geloof aanvaardt, kan niet anders dan evenals bij alle dingen, zoo ook bij de zaken van de Staat, rekenen met de gegevens dier openbaring; terwijl omgekeerd wie haar niet aanneemt, dit kortweg niet kan''.

Moeten de confessionelen nu dan maar onder het liberale juk door? Het antwoord op die vraag kan ik het beste geven door hetzelfde trucje toe te passen als Van der Vlies, en de zaak om te draaien. Worden Van der Vlies, De Hoop Scheffer of welke bezwaarde christenen ook, door paars op zondagen de winkels in gedwongen? Hebben liberalen via de nieuwe euthanasiewetgeving vastgelegd dat bij een bepaalde vorm of ernst van lijden het leven niet meer de moeite waard is, zodat iemand op zo'n moment maar tot euthanasie dient over te gaan? Wie deze vragen doldwaas vindt, moet beseffen dat de confessionele politici zo'n nieuwe dwang wel suggereren als zij schrijven over een nieuwe intolerante staatsgodsdienst of bejammeren dat anderen zich moeten schikken naar een liberale visie.

Dijkstal schaarde in zijn rede de christelijke partijen ,,bijna'' in dezelfde categorie van onverdraagzaamheid als de imams, omdat het hem ging ,,om het respect voor de keuze die een ander maakt, misschien een andere keuze dan je zelf gemaakt zou hebben''. Dit respect weten de confessionele politici niet op te brengen, kunnen zij volgens Van der Vlies niet opbrengen. Juist dit respect vormt het wezen van het liberalisme. Daarom wil geen enkele liberaal een ander het winkelen op zondag of een keuze voor euthanasie voorschrijven. Maar daarom ook kan een liberaal niet toestaan dat confessionele politici de staat blijven gebruiken om hún normen dwingend op te leggen. Want terecht vroeg Isaac Levy, een van de oprichters van de eerste Nederlandse liberale partij – de Liberale Unie – zich ooit af: ,,Welk onderscheidend kenmerk blijft er dan nog over, tusschen het toezicht der Staatsgemeenschap, en dat in een krankzinnigengesticht?''.

Patrick van Schie is wetenschappelijk medewerker van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD.