Bunkerbouwers aan de Amstel

De sociaal-democratie is in Amsterdam weer onzichtbaar en naar binnen gekeerd. Het is daarom tijd dat de PvdA de electorale kaalslag in de hoofdstad van 1966 en 1990 aan hernieuwd onderzoek onderwerpt. Soms denkt Amsterdam het zonder de PvdA te kunnen, maar nooit kan de PvdA het zonder Amsterdam, meent Hubert Smeets.

Het is weer zover. De PvdA in Amsterdam beziet haar critici opnieuw met die vertrouwde minzame minachting van weleer. Bezwaren tegen een deelraad in de binnenstad? Jongens, dat hobbeltje nemen we en daarna snel over tot de orde van de dag. Behoefte aan meer politieke passie en minder ambtelijk driftleven? Heren, wij zijn aan het besturen voor de gewone man en hebben geen tijd voor romantische bespiegelingen waarin gestudeerde types graag zwelgen.

Een heldere lijn. Maar ook een klassieke fout. Want tot nu toe is het vaak misgegaan met de hoofdstedelijke sociaal-democraten als ze het gesprek staakten met die burgers die de PvdA niet per definitie welgezind waren, maar haar evenmin uit eigenbelang of betrokkenheid volledig wilden negeren.

De reden is simpel. Amsterdam wordt van oudsher weliswaar gedomineerd door de sociaal-democratie maar niet beheerst. De verkiezingsuitslagen tot nu toe illustreren deze wetmatigheid. In haar 55-jarig bestaan heeft de PvdA een paar keer ongenadig op haar falie gehad: bij de raadsverkiezingen van 1966 en 1990. In beide gevallen was sprake van een landelijke trend. Maar beide keren waren er eveneens lokale omstandigheden die tot electorale straf noopten. Wanneer de PvdA zich herstelde (1974/78 en 1994/98) of glansrijk won (1986), gebeurde het omgekeerde. Ook dan liftte ze landelijk mee maar werd ze tevens extra beloond voor haar plaatselijke beleid.

Sinds de bevrijding mag de PvdA rekenen op gemiddeld een derde van de 45 Amsterdamse raadsleden. Elke zetel meer is meegenomen (zie grafiek), elke zetel minder een probleem. De eerste decennia na de oorlog was er geen vuiltje aan de lucht. De PvdA opereerde binnen de veilige context van de verzuiling. Maar medio jaren zestig moest de PvdA er voor gaan vechten. Het strijdtoneel was de binnenstad. Conform oud sociaal-democratisch concept, zou de binnenstad als leefomgeving worden afgeschaft. De binnenstad was er om te werken en desnoods te recreëren, hoewel al dat bioscoopbezoek wel een beetje eng werd gevonden. Wie wilde wonen, moest het elders proberen. Dat ging goed, totdat rond 1965 de laatste der mohikanen zich hiertegen gingen roeren. Dat was toen al een elite, zij het geen financiële maar sociaal-culturele elite.

Om dit tij na de rookbom bij hét huwelijk te keren, schoof de PvdA in 1966 de jonge Ed. van Thijn naar voren. Hij was meer stadsmens en minder regentesk dan zijn voorgangers en bovenal niet bang om te politiseren. De uitslag in 1966 was, net als in de Tweede Kamer, dramatisch: van 17 naar 13 zetels. Maar in 1970 bleek dat de methode-Van Thijn werkte. Weliswaar verloor de PvdA in Amsterdam nog een zetel, in de rest van Nederland was het verlies twee keer zo groot. Zijn opvolger Han Lammers zette de lijn voort. Binnen de PvdA werd hij zo omstreden, met name door zijn niet aflatende strijd voor een metro dwars door de Nieuwmarktbuurt, dat de partij in twee of meer fracties uiteen viel die zelfs apart en op verschillende plaatsen vergaderden. Daarbuiten werd hij evenmin als sinterklaas bejubeld. Maar Lammers liep niet weg. Hij zocht zijn critici op in de cafés, liet zich door hen uitschelden en schold met liefde terug. Het werkte. Terwijl de spanning rond de ondergrondse tot traangashoogte steeg, voerde Lammers de PvdA terug naar haar traditionele peil.

Om de eenheid binnen de PvdA te herstellen, werd in 1978 ex-staatssecretaris Jan Schaefer (`In geouwehoer kun je niet wonen') teruggeroepen. Het lukte hem niet meteen om orde op zaken te stellen. Na de kraakrellen, culminerend in de halve staat-van-beleg tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix, duikelde de PvdA in 1982 van 19 naar 16 zetels. Maar toen Schaefers betonmolen eenmaal ging draaien, sloeg de PvdA verwoestend terug. Bij de raadsverkiezingen van 1986 veroverde ze maar liefst 21 zetels. Terwijl de PvdA haar zeteltal in de Tweede Kamer met tien procent zag toenemen, sleepte Schaefer een groei van dertig procent in de wacht. Nota bene ten koste van de VVD, die vier jaar eerder een historisch hoogtepunt van 10 zetels had bereikt.

Dat was niet louter aan Schaefer te danken. Achter zijn brede rug had een breed uitwaaierende bestuurder als Walter Etty ook een bijdrage geleverd. Maar Schaefer was wel de man die zijn partij had afgeleerd alleen in eigen kring te discussiëren en aangeleerd weer met de buitenwereld te praten. Onder zijn regime liep de PvdA met het hoofd omhoog en open vizier over straat. Nadat Schaefer was vertrokken, ging het mis. En hoe. Zonder `bouwer' Schaefer verzeilde `beheerder' Etty op dood spoor. Bij de verkiezingen van 1990 bleek dat Amsterdam het eerlijke meningsverschil node had gemist: de PvdA klapte ineen van 21 naar 12 zetels, een verlies dat bijna twee keer groter was dan de toch al onheilspellende landelijke zetelval van min 25 procent tijdens het eerste jaar van het ministerschap van Kok. Het `wethouderssocialisme' waarop de PvdA tamboereerde, bleek een misverstand.

De generatie-Etty was aanvankelijk kwaad op de vijand die haar dit met louter retoriek (`Brezjnev aan de Amstel') zou hebben aangedaan. Maar toen de kater was weggespoeld, trok ze manmoedig de consequenties. Tussen 1994 en 1998 moest de jonge advocaat Eberhard van de Laan daarna de rommel opruimen. Met succes. De twee zetels winst in 1994 stonden haaks op de landelijke statistieken. Als fractievoorzitter – hij ambieerde geen wethouderspost – herstelde hij het contact met de recalcitranten. Ondanks de groei van met name Groenen en SP, krabbelde de PvdA in 1998 zo op naar haar rechtmatige 15 zetels.

Dat was een postume beloning. Van der Laan had in 1998 de fakkel overgegeven aan wethouder Jaap van der Aa, die de cruciale sociale dienst en het onderwijs had beheerd. En wat deed Van der Aa vervolgens? Hij gaf de eerste portefeuille op ten gunste van Frank Köhler en droeg de scholen in het centrum, die hij nog rechtsstreeks beheerde, over aan Ruud Grondel (beiden GroenLinks). Als loco-burgemeester ging Van der Aa zich concentreren op het onderwijsbeleid in den brede en het grote bestuurlijke stratego rondom Amsterdam. Het feit dat hoofdstedelijke basisscholen volgens het CITO weer beter presteren, mag hem indirect genoegen doen. Het referendum over de betwiste deelraad in de binnenstad kon hij in april direct op zijn conto schrijven.

Die deelraad komt er, al is nog niet helder of diens macht zal worden aan- of juist uitgekleed. Tegelijkertijd wordt volgend jaar een nieuwe gemeenteraad gekozen. In 2002 zal dus blijken of Van der Aa zich mag meten met Lammers, Schaefer en Van der Laan of zich moet spiegelen aan Etty. De signalen zijn somber. Als nu verkiezingen worden gehouden, zou de kiezer de PvdA in de prut duwen. Volgens het veelal betrouwbare hoofdstedelijke bureau Onderzoek & Statistiek is de PvdA goed voor 12 zetels, twee meer dan VVD of GroenLinks. Een fiasco à la 1990 ligt in het verschiet.

Hoe gaat lokaal leider Van der Aa met dit onheilspellende perspectief om? Eerst dit. Elke tijd kent zijn eigen problemen. Elke tijd heeft dus zijn eigen politieke cultuur. In Amsterdam draait het anno 2002 niet meer om simpele hardware als `huizen, huizen en nog eens huizen'. De hoofdstad staat nu voor andere dilemma's die meer als software zijn te kwalificeren. Het gaat vooral om – excuses voor het ouderwetse jargon – `gelijke kansen voor mensen met ongelijke achtergronden'. Kortom, om onderwijs en arbeidsmarkt. Van der Aa weet dat als weinig anderen. Als voormalig leraar en rector ligt zijn hart in de klas. Grote woorden zijn hem vreemd. Maar onder die rationaliteit gaat ongetwijfeld een afgeknepen vorm van passie schuil die hem op stoom houdt.

Is dat voldoende? Nee. Anders dan bijvoorbeeld Rotterdam is Amsterdam géén PvdA-gemeente. Nooit hebben de sociaal-democraten de stad in bezit gehad. Altijd hebben ze, als grootste minderheid, oog moeten houden voor andere en vooral luidruchtige minderheden. De oorzaak is sociologisch. De Amsterdamse samenleving is gevarieerder dan elders. Tussen patriciaat en arbeidersklasse bevonden zich vroeger talloze sociale en culturele buffers: arme kunstenaars en rijke medici, driftige academici en opgewonden jongeren, geëngageerde advocaten en cynische zakenlui, chique bankiers en lompe handelaren. In deze subtiele piramide konden alle Amsterdammers zich op hun manier burger voelen.

Door de overrompelende wedergeboorte van de stad als multifunctionele omgeving is de klassieke piramide de afgelopen dertig jaar scheef komen te staan. Nadat de middengroepen naar buiten waren verhuisd, werden de lagere sociale lagen naar de randen van de stad gedreven en gingen de hogere middengroepen de oude arbeiderswijken langs de grachtengordel bezetten. Woonden vroeger de beter gesitueerden aan de gracht en de minder bedeelden in de straatjes daartussen, nu is de variatie niet meer in één oogopslag zichtbaar. Niet alleen De Pijp bloeit. Ook in andere volkswijken voltrekt zich `gentrification', een sociale opwaardering, die de sociaal-democratie logischerwijs ondermijnt.

De PvdA heeft dat ten dele aan zichzelf te danken. Lang is ze er vanuit gegaan dat nieuwbouw een ander woord was voor sociale woningbouw. De modale burgerij moest wel eieren voor haar geld kiezen. Deze rigide opvatting zou op IJburg worden doorbroken. Maar ook daar blijkt de realiteit van hogere bouwprijzen en lagere subsidie (marktwerking) opeens een harde noot die zich niet meer door stadsplanners laat kraken. Dit bedreigt de sociale variatie van de stad.

Het is nog niet te laat. De sociale stratificatie van Amsterdam is niet definitief zwart-wit. Tussen de nieuwe onderklasse en nieuwe patriciërs leven nog steeds grijstinten. Velen hebben één ding gemeen: betrokkenheid. Niet alle ouders met twee inkomens boven modaal sturen hun kinderen naar een `witte' school. Niet alle `allochtone' ouders stellen dezelfde vragen en eisen identieke antwoorden. Zoals cabrioletrijders hun maatschappelijke inzet niet altijd met knetterend dolby surround uiten, zo verschillen ook de oprukkende hoofddoekjes qua modieuze aantrekkelijkheid én sociale positie van elkaar.

Onderkent de PvdA deze diversiteit? Dé PvdA bestaat niet. Maar Van der Aa interpreteert de tegenstellingen bijzonder statistisch, om niet te zeggen benepen. De PvdA heeft in zijn ogen één taak: verheffing der lagere klassen. Die opdracht siert een sociaal-democraat. Ware het niet dat Van der Aa dit als een eenzame plicht opvat. In Contrast, blad van het multiculturele Forum, formuleerde hij zijn credo zo. ,,Er is eigenlijk maar één groep die mij zorgen baart. Dat is de groep van vooruitstrevende intellectuelen. Het lijkt wel of ze gedwongen worden in de grachtengordel te wonen en daar volledig geïsoleerd van de rest van de stad leven''. Middelen om dat isolement te doorbreken, ziet hij niet. Regie? Zinloos. ,,Om de eenvoudige reden dat er in de politiek geen hiërarchie bestaat, je hebt domweg niet de positie om iets te regisseren'', aldus Van der Aa in Het Parool. ,,Ik heb het gevoel, zonder pedant te willen zijn, dat veel mensen met hun opvattingen structureel achterlopen''.

Van der Aa wil de bunkers in het vooronder van het stadhuis alleen verlaten als er iets te verdienen valt. Hij staat daarin niet alleen. Staatssecretaris Ella Kalsbeek kijkt evenzeer neer op ,,intellectuele zelfbevrediging''. Die kan ze ,,niet terugvertalen naar wat er gedaan moet worden'', zoals Gerard van Westerloo in M optekende. Burgers met andere belangen – zeker burgers die niet louter in belangen denken – moeten het, net als de arbeiders in de jaren zestig, kennelijk elders maar proberen.

Wat is hiermee mis? Lammers had toch ook lak aan de postprovo-betweters? En Schaefer schold de krakers toch ook voor rot? Inderdaad. Maar ze deden dat tenminste. Door in woest gesprek te blijven met de verschillende buffers probeerden ze de gecompliceerde stedelijke cohesie voor hun eigen doeleinden te gebruiken. Ze wisten dat ze in een traditie stonden, waarin primaire belangen niet zónder maar mét een of meerdere hoofdstedelijke elites moesten worden verzoend. Anders dan de huidige bestuurders waren ze aldus bezig met terugvertalen, al was het maar omdat zij die vermaledijde intellectuele masturbanten niet op een onverwacht en ongelukkig moment op hun weg wilden tegenkomen. Kortom, ze bedreven politiek. Van der Aa daarentegen definieert verantwoordelijkheidsbesef louter in termen van vuile handen. Hij durft die te maken, zijn critici zijn daarvoor te lummelig. Zelfs burgemeester Cohen beroept zich inmiddels al op ,,oppervlakkigheid'', zoals hij zijn bestuurlijke positie onlangs bij de Amsterdamse omroep AT5 typeerde.

Dat lijkt dapper. Maar de keerzijde van deze tevredenheid is dat de PvdA buiten de eigen, merendeels ambtelijke, kring zelfvertrouwen verliest. Met opgestoken kraag fietsen de wethouders 's morgens door het hol van de grachtengordelleeuw naar het stadhuis, hopend dat wat je niet ziet er ook niet is. Die tactiek werd tot vorige week woensdagnacht (de nacht waarin het regenboogcollege van PvdA, VVD, GroenLinks en D66 brak) vooral ingegeven door angst: angst voor GroenLinks en VVD. GroenLinks in Amsterdam loopt ver achter op de landelijk partij, maar kan onder de vleugels van Rosenmöller wel slapend rijk worden. Bovendien stevent GroenLinks ook in Amsterdam op kousenvoeten af op een wisseling van de wacht, die nu door de collegecrisis versneld kan worden. Twee culturen (de vakbondscultuur van Köhler versus de `postmateriële' rond fractieleider Van Poelgeest) kunnen daarbij in botsing komen. Aan de andere kant heeft de VVD het tij nog meer mee. Maar omdat het gebrek aan kader bij de liberalen alleen maar groter is geworden – in drie jaar vermoedelijk vier wethouders op twee posten – zijn de bestuurlijke risico's van een openlijke oriëntatie op de VVD navenant gegroeid.

De PvdA van Van der Aa kiest intussen voor een defensieve houding. Natuurlijk, de partij mag zelf uitmaken wat haar het beste dunkt. Toch durf ik een gokje te wagen. De sociaal-democratie is na drie jaar regenboog opnieuw onzichtbaar en naar binnen gekeerd. Geestverwante critici, voor wie een dieselmotor niet inspirerend is omdat ze liever worden tegengesproken dan toegezwegen, zullen niet uit zichzelf te hulp schieten. Als de PvdA verstandig is, onderwerpt ze de electorale kaalslag van 1966 en 1990 aan hernieuwd onderzoek. Met alle gevolgen van dien voor het politieke personeel. Het gaat niet om de eerste man. Die stopt waarschijnlijk. Het gaat om een partij die in Amsterdam is wat het CDA tot Paars in de rest van Nederland was. Eigenlijk is het simpel. Soms denkt Amsterdam het zonder de PvdA te kunnen. Maar nooit kan de PvdA het zonder Amsterdam.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad.