Bestuurslid tegen teruggave Toorop

Een van de bestuursleden die zich van het begin af aan uitspraken tegen teruggave van de tekening van Jan Toorop aan Walter Eberstadt, is J.W. van der Vorm, voormalig lid van de Hoge Raad en achterneef van de zakenman W. van der Vorm, die de tekening in 1943 samen met H. van Beek voor de Stichting aankocht. Van der Vorm, die in Zwitserland woont, kon zelf gisteravond niet bij de vergadering aanwezig zijn. Bij de bepaling van zijn standpunt heeft het gegeven dat de zaak volgens de Nederlandse rechtspraak verjaard is, een belangrijke rol gespeeld.

Van der Vorm: ,,De Stichting moet een besluit nemen op basis van de helaas schaarse, nog beschikbare feiten uit de periode voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze feiten laten de mogelijkheid open dat het echtpaar Ernst en Gertrud Flersheim de tekening voor het jaar 1937, toen ze uit Duitsland vluchtten, zelf heeft verkocht. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de plaatsing van deze tekening op de lijst van kunstwerken waarvan het echtpaar Flersheim werd beroofd, onjuist is. Die lijst werd na de oorlog opgesteld door hun dochter, Edith Flersheim-Eberstadt, die sinds 1936 in Engeland woonde. Dit soort feitelijke onduidelijkheden die bij deze zaak spelen, onderstreept hoe zinvol de in het Nederlandse recht ingestelde verjaringstermijn is. Als je te ver in de geschiedenis teruggaat, stuit je op teveel onzekerheden, terwijl de rechtspraak nu juist zijn basis vindt in feiten.''

Volgens Van der Vorm was zijn oudoom Willem bij de aankoop volkomen te goeder trouw, evenals H. van Beek en de toenmalige directeur van Museum Boijmans, Dirk Hannema. ,,Mijn oudoom heeft Hannema aan het begin van de oorlog op een stevige manier gekapitteld toen hij zich voor het Duitse cultuurbeleid uitsprak, maar hij heeft na de oorlog tevens duidelijk gemaakt dat Hannema te goeder trouw was wat betreft de jodenvervolging. Hannema werd na de oorlog geschorst als museumdirecteur, maar toen zijn zaak voorkwam, werd hij van rechtsvervolging ontslagen. Daarom kon hij ook aanblijven als bestuurslid van de Stichting.''

Van de Vorm noemt het vonnis van de Wiedergutmachungskammer van de rechtbank in Frankfurt, die in 1955 bepaalde dat de tekening terug moest naar de erfgenamen van het echtpaar Flersheim, `het papier niet waard waarop het geschreven is': ,,Het was een vonnis van een Duitse rechter, bij verstek gewezen. Het vonnis had in Nederland geen enkele rechtskracht. We hebben er in een bestuursvergadering goed naar gekeken en we waren het erover eens dat aan dit vonnis geen gevolg moest worden gegeven. De familie had destijds bij de Nederlandse rechter moeten zijn als zij de tekening terugwilde.''

    • Lien Heyting