Wijkwacht

Als je telefoneert, willen Indiërs aan de andere kant van de lijn altijd weten vanwaar je belt. Eerst begreep ik de vraag niet, noch de relevantie. Hoezo? Ik bel vanuit mijn huis. De voorkamer om precies te zijn. Of vanuit Delhi. Vanuit India.

Allemaal verkeerde antwoorden. Je moet de naam van je wijk noemen. Dat is zelfs belangrijker dan je eigen naam. Men kan je dan `plaatsen', men weet ongeveer tot welke categorie of klasse je hoort. Zoals sommigen in Nederland hun titel gebruiken (U spreekt met professor Janssen) of de naam van een bedrijf.

Als je zegt dat je vanuit Sarvapriya Vihar belt, is de kans groot dat je een academisch beroep uitoefent. Zeg je Vasant Vihar, dan ben je waarschijnlijk een buitenlandse diplomaat en als je spreekt vanuit Ranjeet Nagar ben je in negen van de tien gevallen een Sikh die een tulband draagt en wiens ouders uit Pakistan migreerden.

Van sommige wijken hoor je de status aan de naam: `Defence Colony' heet zo omdat daar vroeger vooral legerofficieren woonden. Dat is allang niet meer het geval, maar ook daarmee houden de Delhi-bewoners rekening.

Niet de straat, maar de wijk is de kleinste eenheid van de stad. Elke wijk heeft zijn eigen toegangsweg, die 's avonds met een hefboom wordt afgesloten door de wijkwacht. De rijken in de wijk hebben namelijk ieder een eigen nachtwaker en al deze wakers tezamen vormen de wijkwacht. Het is dus niet zo dat de rijken alleen hun eigen have en goed laten bewaken. Een nachtwaker let op alles in zijn wijk; ze letten ook op elkaar. Vanaf elf uur 's avonds blaast een nachtwaker op een fluitje, waarop een andere na vijf minuten terugfluit. Zo wordt een vast patroon afgewerkt en weten de nachtwakers dat alles goed is in de wijk. En dat hun collega's wakker zijn.

Elke wijk heeft een eigen dhaba, een eenvoudige eetgelegenheid waar nachtwakers hun maaltijden nuttigen. Er is altijd ook een maidan, een veldje waar je een grote tent kunt opzetten voor het huwelijk van je dochter. En een eigen telefoonkantoor, vuilophaaldienst, riksha- en taxistandplaats en kabelmaatschappij.

Delhi is zo decentraal georganiseerd, dat het grenst aan anarchisme. Want elke wijk heeft zo zijn eigen regels. In mijn wijk mag je op zaterdagen de telefoonrekening contant voldoen. In andere wijken moet je een postwissel laten maken, wat zeker een halve dag kost.

Een wijk heeft natuurlijk een eigen markt, die niet alleen bestaat uit provisiewinkels, maar ook uit zaakjes waar je kunt kopiëren en faxen en soms zelfs internetten. En alle ambachtslieden hebben er hun plekje, wat meestal niet veel meer is dan een hoge houten tafel in de openlucht en een handgeschilderd bordje: `Raju, voor al uw loodgieterswerk. (Tevens elektricien en meubelmaker).'

Raju zit de hele ochtend in kleermakerszit op zijn tafel te wachten op klanten. Als hij tegen een uur 's middags nog geen opdracht heeft, pakt hij zijn fiets en rijdt de wijk rond, luidkeels de tekst van zijn bordje roepend.

Sommige wijken staan bekend om hun goede ambachtslieden. De mijne niet. Vraag Raju bijvoorbeeld om een kraan in de tuin aan te brengen en je loopt kans twee dagen zonder water te zitten, omdat hij de hoofdkraan heeft gemold. Als je zegt dat je een loodgieter uit een andere wijk laat komen, kijkt hij diep gekwetst. Het gaat niet alleen om zijn eer, maar om die van de hele wijk.

Raju is trouwens ook niet bijster goed als elektricien. Een nieuwe plafondventilator op het balkon, daar begint hij vol goede moed aan, om daarna een kortsluiting te veroorzaken die de hele wijk treft.

Maar hij is ambitieus, Raju. Hij heeft een stralend gezicht en een dunne, goedverzorgde snor. Hij draagt een slappe Indiase broek die hij onwillekeurig optrekt met zijn ellebogen.

Wat hij mist aan vakmanschap, heeft hij aan humor. Als hij weer eens een calamiteit veroorzaakt, zegt hij met een brede grijns dat het altijd zo gaat in dit land. Het ligt aan de kwaliteit van de draden en de pijpen, aan de materialen waarmee hij moet werken, aan de slechte gereedschappen. Het ligt nooit aan hem.

Zijn ambitie is om India te verlaten. Hij is vier jaar geleden getrouwd en hij heeft drie kleine kinderen, maar hij heeft een oudere broer met een baan bij de overheid. Die kan voor zijn gezin zorgen.

Raju wil de wijde wereld in en hij weet wat dat inhoudt omdat hij een tv-toestel met kabelaansluiting bezit. Hij heeft al een paspoort en hij kreeg een keer zelfs een visum voor Canada. Dat moet een foutje zijn geweest van de Canadese visumafdeling, want gewoonlijk moet je eerst een retourticket laten zien en een bundel dollars waarmee je in staat bent jezelf te onderhouden. Raju had geen van beide. Toen hij eenmaal de stempel in zijn paspoort had, heeft hij als een bezetene geprobeerd om aan het geld voor het ticket te komen. Maar vijftienhonderd dollar is erg veel geld. Het visum verliep en Raju zat nog altijd op zijn tafel op de markt in de wijk.

Nu heeft hij gehoord dat je ook een visum krijgt als je aanbevelingsbrieven hebt. Na elke klus die hij met alle mogelijke ongelukken heeft geklaard, vraagt hij breed glimlachend om een briefje waarin staat dat de klant zeer tevreden was over zijn werk.

Hij heeft nu al een doos vol brieven, de meeste heb ik geschreven. Meer wegens zijn charme dan zijn vakmanschap, bovendien krijgt iemand die de wijde wereld in wil altijd mijn volle steun.

Wel heb ik hem gevraagd wat hij gaat doen als hij ooit een rijk land binnenkomt. Ik wens de rijke landen Raju toe, maar niet in zijn hoedanigheid van loodgieter of elektricien. Tot mijn verbazing was Raju het met mij eens: als loodgieter of elektricien zou hij het daar niet redden. Hij beloofde na te denken over de mogelijkheden die hij had.

En gisteren, toen hij met zijn fiets zijn ronde deed en zijn vaardigheden luidkeels verkondigde, kwam hij even langs. Hij had een briljant idee: hij zou nachtwaker worden in een goede wijk.

ramdas@nrc.nl