Waar moet het naar toe, vraagt Israël zich af

De opeenvolging van aanslagen en rampen wordt de Israëliërs te veel. De spanning leidt tot doemdenken: ,,Ik geloof niet dat dit land kan blijven bestaan.''

,,Waar moet het naar toe?'' Zelfs de Israëlische minister van Defensie, Benjamin Ben Eliezer, kon zich onder de druk van Palestijnse autobommen en zelfmoordaanslagen gisteren niet inhouden deze vraag te stellen. Er was geen antwoord.

Nog getraumatiseerd door de ramp van de ingestorte dansvloer in de feesthal in Jeruzalem werden de Israëliërs na de autobom van vrijdag in Hadera gisteren opgeschrikt door exploderende bomauto's in het centrum van West-Jeruzalem, nabij het politiebureau.

,,Ook dat nog'', gilde een vrouw toen vorige week de dansvloer in een diep gat verdween. Met veel gewonden bij een rel op een voetbalveld, een klein meisje dat in de hitte werd vergeten in een auto en uitgedroogd in een ziekenhuis overleed, is deze flitsende opeenvolging van terreur en rampen de mensen gewoon te veel.

Een man staart voor zich uit in een café. Even volgt hij een gesprek en zegt dan ,,er geen gat meer in te zien''. Dat zeiden ook mensen die belden naar het speciaal ingelegde telefoonnumer 106, waar psychologen en sociale werkers hen probeerden te kalmeren.

Duizenden belden een ander nummer. Daar konden ze hun angst kwijt over het mogelijke instorten van daken en vloeren die uit winstbejag en corruptie jarenlang volgens de afgekeurde Pal-Gal methode zijn gebouwd op en in ziekenhuizen, de Bank van Israël en in grote winkelcentra.

De combinatie van al dit onheil ligt als een zwarte onweerswolk boven het joodse land. De sfeer is geladen, gezichten staan strak, wegen en winkelcentra zijn leger dan normaal. Angst houdt de mensen thuis.

De spanning leidt tot doemdenken. ,,Ik geloof niet dat dit land kan blijven bestaan. Israël, dat het laatste toevluchtsoord is voor het vervolgde joodse volk. Ik word gek als ik eraan denk. Mijn grootste pijn is dat het nu zo duidelijk is dat Palestijnen en Israëliërs niet naast elkaar kunnen leven'', zei een vrouw gisteren.

,,Mijn waarzegster voorspelt een oorlog in juni, gauw dus'', zei een andere vrouw. ,,Ik geloof haar, Ik ga maar alvast rijst en olijfolie inslaan.''

De kruidenier en zijn helper zijn zoals altijd in moeilijke en vooral emotionele tijden strijdlustiger dan ooit. ,,We moeten erop losslaan. Het is toch zo duidelijk als wat dat de Palestijnen geen vrede willen.''

Een vrouw maakt bezwaren tegen dit gepraat. ,,Het ligt niet alleen aan de Palestijnen, maar ook aan ons. We moeten weg uit alle bezette gebieden. De kolonisten moeten hun biezen pakken. We moeten dan een veiligheidsgrens trekken tussen ons en de Palestijnen''.

De invloedrijkste Israëlische politieke tv-commentator opent het raampje van zijn auto en zegt: ,,weer een aanslag in Jeruzalem''. In de oorlog van 1973 werd hij zwaar gewond. ,,Ik weet het niet meer'', zegt hij. ,,Wat denk jij ervan?''

Premier Ariel Sharon beloofde tijdens zijn verkiezingscampagne vrede en veiligheid. Wie al F-16 straaljagers tegen de Palestijnen heeft ingezet, krijgt geen demonstranten op zijn dak, zoals premier Yitzhak Rabin die te verduren had tijdens een terreurgolf van de Palestijnse moslim-fundamentalistische organisatie Hamas. Zijn ministers roepen de bevolking op geduld te oefenen en het lijden te aanvaarden als het inherente gevolg van het bestaan van de joodse staat.

Zo denken niet de laatste der Mohikanen van het wegkwijnende Israëlische vredesfront erover. Zij komen nog wel aan het woord in kranten, op het scherm soms en via de radio. Maar hun these dat Israël meer geeft om het behoud van nederzettingen dan om vrede slaat in het door Palestijns geweld verhitte klimaat niet aan.

Is Sharons unilaterale bestand dan een list om de wereldopinie, met zoveel beelden en woorden over Palestijnse geweld, van Israëls gelijk te overtuigen als uitgangspunt voor een groot militair offensief tegen de Palestijnen? Nog gisteren confronteerde een tv-commentator minister Uzi Landau van Binnenlandse Veiligheid met deze vraag. Anderen, die Sharons Libanese oorlog niet kunnen vergeten, zeiden hetzelfde. ,,Geen list'', zei de minister. ,,Wel een poging om de publieke opinie, als element van onze strategie te winnen.''