Loflied op een praalgraf

Bijna een halve eeuw na zijn gewelddadige dood in 1584 kreeg Willem van Oranje zijn praalgraf in de Nieuwe Kerk in Delft, de plaats van de moord. Het was in 1614 ontworpen door Hendrik de Keyser (naar een grafmonument van een Franse koning in Saint Denis) en het werd door zijn zoon Pieter in 1623 voltooid. Strikt genomen is het slechts een monument. Want het dode lichaam is bijgezet in de grafkelder die sindsdien de laatste rustplaats is geworden van vrijwel de gehele dynastie van Oranje Nassau. Toch bleek het praalgraf boven in de kerk niet geheel leeg. Tijdens de recente restauratie werd een eikenhouten kistje aangetroffen waarin Louise de Coligny, Willems vierde echtgenoot, zijn hart heeft laten bijzetten.

Het barokke praalgraf staat op de plaats in het koor, waar in de uit de vijftiende eeuw stammende katholieke kerk het hoofdaltaar had gestaan. Dat was afgebroken toen ze in 1572 in een reformatorische veranderde. Op soortgelijke wijze werd in de Nieuwe Kerk in Amsterdam het praalgraf van de zeeheld Michiel de Ruyter gebouwd en in de Grote Kerk in Den Haag dat van een andere zeeheld, admiraal Van Wassenaer. De overgang was minder groot dan het lijkt. Waar in de katholieke middeleeuwen het hoofdaltaar de plaats was om relikwieën van heiligen te bewaren, werd in de calvinistische kerk het hoogkoor de gelegenheid om helden uit de Opstand een zichtbare roem te verschaffen.

Het monument toont Willem van Oranje in twee gedaanten. Aan de voorzijde is een bronzen beeld geplaatst waarin hij als krijgsman is afgebeeld: met de staf van een bevelhebber en de helm aan zijn voeten. Op het graf ligt hij, in wit marmer gebeeldhouwd, in burger gekleed, met een muts op het hoofd en in een gemoedsstemming zonder enig pathos. Deze tweezijdigheid is kenmerkend voor de wijze waarop de Vader des Vaderlands is en wordt herdacht. Hij is nu eens de (gemilitariseerde) held van de Opstand, dan weer de voorvechter van burgerlijke vrijheden.

In 1992 werden in het witte marmer gele vlekken ontdekt. De diagnose luidde: zout. In 1996 begon de restauratie, tijdens welke het monument in 850 stukken werd ontleed en behandeld of zo nodig vervangen. Onlangs is dit proces van herstel voltooid. Dankzij dit werk kunnen de Oranjes voortaan weer ongestoord worden bijgezet. En dankzij een televisieploeg onder regie van Rob Swanenburg en onder leiding van Liesbeth van Leeuwen Boomkamp kunnen wij deze werkzaamheden nog eens voor de geest halen.

De fascinatie van de documentairemakers voor een echte restauratie van het kunstwerk is de leidraad in de montage geweest. Er wordt dus ook veel detailwerk in beeld gebracht. De voorbeelden van precisiearbeid bepalen het ritme evenals de vakkundigheid van de restaurateurs. De kijker ziet voortdurend kleine delen van het monument in beweging voorbijkomen of de geconcentreerde gelaatsuitdrukking van ambachtslieden die stenen platen loswrikken of discussiëren over de behandeling van een van de 850 onderdelen.

De cultuurhistorische dimensie van het grafmonument wordt veel minder uitgewerkt of zichtbaar gemaakt. Een kort vraaggesprek met de Amsterdamse hoogleraar Henk van Nierop is daartoe ook niet voldoende. De makers hebben vooral een loflied willen zingen op het vakmanschap van restaurateurs en men neemt er dan ook de tijd voor: negentig minuten.

Een Praalgraf voor een Prins, NPS, Ned.3, 20.30-22.00u.