Frits Fiscaal

DE INTERNE MARKT vormt de kern van Europese Unie. Toen eind 1992 de handel in goederen was geliberaliseerd en de slagbomen bij de grensposten verdwenen, was dat een mijlpaal. De voltooiing van de Europese interne markt was volgens een ambitieus schema waartoe in 1985 de aanzet was gegeven, bereikt. Was het maar waar. Europese burgers en ondernemers hebben sindsdien ruime ervaring kunnen opdoen met de belemmeringen die er nog altijd bestaan bij grensoverschrijdende activiteiten.

Eurocommissaris Frits Bolkestein (Interne Markt) heeft vorige week stappen aangekondigd om de werking van de interne markt te verbeteren. Hij wil de belastingfaciliteiten die lidstaten aan ondernemingen bieden en fiscale regelingen die het vrije verkeer van personen belemmeren, aanpakken. Hiermee begeeft hij zich op glad ijs. Dit klinkt immers als `belastingharmonisatie' en dat staat in sommige lidstaten gelijk aan vloeken in de kerk. Bovendien beslist de EU over fiscale zaken met unanimiteit en die valt lastig te bereiken. Daarom gooit Bolkestein het over een andere boeg: fiscale instrumenten van nationale overheden kunnen de werking van de interne markt belemmeren en zijn daarmee instrumenten van oneigenlijke concurrentie. Op dit gebied heeft de Commissie wél verregaande bevoegdheden en deze wil Bolkestein ten volle uitbuiten. Bijvoorbeeld door fiscale subsidies voor ondernemingen of de verschillen in de fiscale behandeling van pensioenbesparingen (die demobiliteit van werknemers in de EU belemmeren) aanhangig te maken bij het Europese Hof als strijdig met het Europese verdrag.

`PRO-ACTIEF' BELEID noemt Bolkestein zijn strategie. Het doet denken aan de wijze waarop de federale overheid in de Verenigde Staten indertijd de `Interstate Commerce Act' heeft gebruikt om de versnipperde markt van de Amerikaanse deelstaten tot een groter geheel te dwingen. In de Europese Unie kan deze aanpak met de interne markt als juridisch breekijzer ook werken.

Marktverstorende belastingconcurrentie doet zich in vele vormen voor. De bijzondere heffing op auto's in Nederland (BPM) is een voorbeeld, evenals de speciale afspraken die de Nederlandse belastingdienst maakt met buitenlandse ondernemingen die in Nederland statutair hun hoofdkantoor vestigen (zogenoemde rulings). Fiscale begunstiging aan ondernemingen ten behoeve van regionale ontwikkeling, of vrijstelling van sociale lasten ter bevordering van de werkgelegenheid vallen eveneens onder vormen van fiscale staatssteun die de interne markt verstoren.

De lidstaten zullen ongetwijfeld afhoudend reageren. Ze laten zich niet graag door `Brussel' op de vingers tikken en al helemaal niet als het gaat om fiscale speeltjes. Maar Bolkestein heeft gelijk om zijn aanval door te zetten. Uiteindelijk draaien alle belastingbetalers immers op voor de begunstiging van speciale belangen. Tegelijkertijd moet met de aanpak van fiscale subsidies het uitgangspunt van gezonde belastingconcurrentie tussen de lidstaten gehandhaafd blijven. Het wordt nog interessant te zien hoe Bolkestein, de marktliberaal, zal laveren tussen harmonisatie en coördinatie van belastingen.