Europa moet terug naar Buitenlandse Zaken

Nederland kan niet zonder een coherente visie op Europa's toekomst. Bij de volgende verkiezingen en bij de vorming van een nieuw kabinet zal het daarover moeten gaan, meent Thom de Graaf.

Vorig jaar opende de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Fischer het debat over de toekomstige vormgeving van Europa. De Nederlandse reactie was afhoudend, omdat de delicate onderhandelingen over het verdrag van Nice voor de deur stonden. Maar ook nu Nice achter de rug is en bondskanselier Schröder de discussie over de `politieke finaliteit' een nieuwe impuls gaf, ontbeert Nederland een duidelijke visie.

Minister Van Aartsen wijst `grand designs' af, en kwalificeerde nog onlangs eigen denkwerk over Europa's toekomst als een vlucht voor de realiteit. Staatssecretaris Benschop meende vorig jaar nog dat Europa ,,het federalisme voorbij'' was, maar lijkt nu bij te sturen. Intussen spreekt minister-president Kok vooralsnog zuinigjes over ,,waardevolle ideeën''. Is Nederland bang om te kiezen?

Misschien speelt het trauma van 10 jaar geleden, `Zwarte Maandag', nog steeds mee. Toen struikelde onze politieke en diplomatieke elite op weg naar Maastricht doordat het te vroeg en te rigide inzette op een federatieve structuur. De klap kwam hard aan en dat is wellicht de reden dat Nederland zich tegenwoordig op kousenvoeten verplaatst. Het is evenwel de kunst om op de juiste momenten dat pragmatisme te verbinden met een dosis idealisme, met visies over de doelstellingen op de wat langere termijn.

Het kabinet slaagt daar vooralsnog niet in. Dat komt ook door tegenstellingen in de coalitie. De `coming-out' van Schröder lijkt de PvdA te stimuleren om met D66 op te stomen in de richting van een krachtig en volwaardig communautair bestuur. De VVD is echter gevangen in een chronische euroscepsis.

Nederland kan echter niet zonder coherente visie op de Europese toekomst. Als we dat nalaten, zal Europa ook nooit van de burgers worden. Daarom zal die toekomstvisie een thema moeten zijn bij de volgende nationale verkiezingen en bij de vorming van een nieuw kabinet.

Het is voor iedereen duidelijk dat vergaande hervormingen van de Europese besluitvorming bittere noodzaak zijn. Slagvaardigheid en democratie komen te kort en dat wordt alleen maar erger bij de toetreding van een grote groep nieuwe lidstaten uit Midden- en Oost-Europa.

Het is nagenoeg ondenkbaar dat alle lidstaten, oud of nieuw, in gelijke passen en met gelijke snelheid vooruit zullen gaan op dat pad van hervorming.

Tegen die achtergrond pleitte Fischer vorig jaar voor een `Gravitationszentrum' van een beperkt aantal staten, dat een voorhoede vormt in het integratieproces. Niet slechts per onderwerp kopgroepjes à la Schengen, maar een heuse politieke eenheid binnen het grotere verband van de Unie. Zo'n stap van een beperkt aantal landen geeft, hoe moeilijk dat ook zal zijn, een perspectief voor de toekomst. Die stap vult als het ware het gat tussen de status quo en het einddoel van een volwaardige federatie van Europese staten. Als Duitsland daadwerkelijk dit federatieve Europa met nauw omschreven rechten voor de nationale staten nastreeft, zal het in de komende jaren bondgenoten zoeken. Nederland zal daar bij moeten zijn. Een kleine staat gedijt beter in de bescherming van een federatief Europa dan in door grote landen gedomineerde achterkamers.

Blauwdrukdenken is zelden goed. Het einddoel staat dan ook niet vast. Maar de wenselijke elementen daarvan zijn wel te onderscheiden:

Een sterk Europees Parlement met volledige wetgevende bevoegdheid en met de politieke macht om het bestuur te controleren en naar huis te zenden;

Een Commissie die als een echte Europese regering gaat functioneren en daarvoor ook de democratische legitimatie heeft, bij voorkeur middels een direct gekozen voorzitter.

Een senaat bestaande uit regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten. Deze senaat vervangt de huidige Raad van ministers. De gedachte van een senaat van nationale parlementariërs naast het Europees Parlement wijs ik af. Dat versplintert de democratische controle en verzwakt de legitimatie van het rechtstreeks gekozen Europarlement.

Een Europese Grondwet waarin de rechten en plichten van de Europese burger nauwkeurig zijn vastgelegd, en rechtsbescherming via een versterkt Hof van Justitie.

In een meer communautaire, federale opzet zal Europa democratischer en slagvaardiger zijn. Op de weg daar naar toe zal de Nederlandse inbreng in Europa beter moeten worden georganiseerd.

De verantwoordelijkheid daartoe berust bij de minister van Buitenlandse Zaken, maar in de praktijk is het Europees beleid voornamelijk een zaak van staatssecretaris Benschop en premier Kok. Dat ligt niet alleen aan hun kwaliteiten en hun politieke band of aan de moeizame positie van de huidige minister van Buitenlandse Zaken. Meer in het algemeen lijkt sprake te zijn van een ontwikkeling die de taak van de minister van Buitenlandse Zaken in Europese kwesties minimaliseert. Hier en elders in Europa zijn de ministers van Buitenlandse Zaken veelal gefixeerd op de traditionele bilaterale contacten en multilaterale bijeenkomsten. Aan de echte Europese vraagstukken en aan de regie daarover komen zij nauwelijks toe. Buitenlands beleid zonder Europa is geen beleid.

Daarom moet `Europa' terug in de portefeuille van de minister van Buitenlandse Zaken. Dat is beter dan versterking van de rol van de minister-president door de Europa-staatssecretaris over te hevelen naar Algemene Zaken. Dat is ook beter dan de creatie van een aparte minister voor Europese Zaken, al dan niet met de titel vice-premier, zoals Ad Melkert in navolging van Jacques Delors op deze pagina (NRC Handelsblad, 9 oktober 2000) heeft voorgesteld. Een vice-premier als hoge representant van de regeringsleider is in decoalitiepolitiek van Hollandse snit niet goed denkbaar. Een aparte Europa-minister naast de twee die al op Buitenlandse Zaken zetelen, is bovendien teveel van het goede.

Wil Europa weer core business van de minister van Buitenlandse Zaken worden, dan zijn drie voorwaarden relevant:

De minister van Buitenlandse Zaken moet in de eerste plaats daarvoor de ruimte krijgen. Dat kan door de minister zonder portefeuille op dat departement een bredere taak te geven dan alleen ontwikkelingssamenwerking. Deze taak – internationale samenwerking – kan ook bijzondere relaties en regio's omvatten en moet flexibel worden ingevuld.

In de tweede plaats zal die minister een gezaghebbende rol moeten vervullen in dossiers die Europese regeling vergen, maar ook een binnenlandspolitieke component hebben, van fiscale harmonisatie tot landbouwbeleid. Dat vergt ook een actieve rol in het netwerk van de Europa-architecten, in plaats van delegeren aan een staatssecretaris. Kortom, een breed georiënteerd politicus, geen klassieke buitenlandspecialist van de oude stempel, maar een politieke bestuurder die management en kennis van zaken paart aan Europese bevlogenheid.

Ten slotte heeft de minister van Buitenlandse Zaken nieuwe stijl in Europa alleen kans van slagen als hij in Nederland een bijzondere politieke en persoonlijke verhouding met de minister-president weet te onderhouden. Anders is hij tot een bijrol gedoemd. Tijdens de formatie moet dat een relevant criterium zijn, relevanter nog dan de partijpolitieke verdeling. Het is evident dat dit in 1998 onvoldoende is gewogen.

Thom de Graaf is lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter van D66. Deze tekst is een bewerkte versie van de rede die hij vanmiddag tijdens een bijeenkomst van het Instituut Clingendael heeft uitgesproken.