Een zondag

Twee liefdes vochten in mijn borst, wie mocht het winnen? Ik besloot tot een Salomonsoordeel, en dus ging ik gistermorgen naar het Willem Elsschot Festival in de Brakke Grond in Amsterdam en gistermiddag naar Ajax-AZ in de Arena. Ook al riskeerde ik daarmee opnieuw de woede van een lezer die mij onlangs per brief toebeet: ,,U hoort niet in een voetbalstadion.''

Hij vond het als onderwerp niet verheffend genoeg, en zeker voor een columnist die schrijft `in een kwaliteitskrant' – een toevoeging die wel vaker als een summum van misprijzen door boze lezers wordt gebruikt. Hij leek me iemand die elke week naar de opera gaat en naar alle toneelstukken van Toneelgroep Amsterdam, en die erop staat dat zijn vrouw meegaat, al was het alleen maar om haar na thuiskomst met een keihard rietje in de hand te kunnen overhoren.

Op het Elsschot Festival was een boeiende documentaire over Elsschot te zien van Anton Stevens, in 1982 gemaakt voor de BRT-televisie en nooit in Nederland uitgezonden. De film heeft alleen, anno 2001, een beetje last van de wet van de remmende voorsprong: veel anekdotes die worden verteld, zoals door zijn dochter Adèle en Simon Carmiggelt, behoren inmiddels tot het standaardrepertoire over Elsschot. Misschien zou er op basis van het sindsdien opgedolven materiaal weer eens een nieuwe film vervaardigd moeten worden.

Wat ik me van deze film vooral zal blijven herinneren, zijn de schaarse bewegende beelden van Elsschot. Een man die een zeer ernstige indruk kon maken, maar bij wie de (zelf)spot altijd op de loer lag. Bij het verschijnen van zijn Verzameld Werk vroeg de interviewer Jos de Haes hem of zijn boeken hem na herlezing waren meegevallen. ,,Ja, dat is me zeker meegevallen'', zei Elsschot met een schalks lachje, ,,ik heb de indruk dat ik dat nu onmogelijk nog zou kunnen schrijven.''

Op de kleine (foto)tentoonstelling over Elsschot zocht ik nog naar mooie, mij onbekende citaten die typerend zijn voor zijn onovertroffen, bondige stijl. Ik stuitte op dit citaat uit zijn dankwoord in 1951 bij de uitreiking van de Constantijn Huygensprijs: ,,Als ooit iemand vreemd heeft opgekeken dan was ik het wel bij het ontvangen van het bericht dat ik bekroond werd met de Constantijn Huygensprijs. Het nieuws bereikte mij in een hotelletje in Parijs waar het insloeg als een bom. Niet als een V1 of V2-bom, onzaliger gedachtenis, maar veeleer als een weldoende bom, afgeschoten door het Leger des Heils zal ik maar zeggen.''

Daarmee had ik mijn bezoek aan Ajax wel verdiend, vond ik. Met Ajax ging alles goed, maar toch gebeurde er iets vreemds. Na afloop vond op het veld een kleine huldiging van het elftal en enkele individuele spelers (Chivu, Van der Vaart) plaats. Dat duurde een kwartiertje, en al die tijd stond coach Co Adriaanse met zijn rug naar het elftal interviews te geven aan tv-journalisten. Hij toonde geen enkele interesse voor de huldiging. Of dat symbolisch is voor zijn relatie met het elftal, weet ik niet, maar onbegrijpelijk was het in ieder geval wél.