Bij Dimmendaal

Waar is het fluitenkruid van toen? Ik loop langs de waterkant te midden van zware zomergeuren. Sommige zijn zoet, andere stroef in de neus en enkele ruiken een beetje naar vrouwelijk lijf. Vreemd. Fluitenkruid en meidoorn, vlier, koolzaad en kastanje zijn allemaal tegelijk uitgelopen in een bedwelmende overdaad. Steeds waaien vlaagjes herinnering aan vroeger mijn hoofd in. Het weiland voor ons huis met zijn drassige plekken, ikzelf als zevenjarige. Waarom zou juist je kindertijd terugkomen, op geuren van verlangen, terwijl je sindsdien tientallen andere zomers hebt meegemaakt?

's Zomers gingen we naar de boerderij van Dimmendaal in Doetinchem. Hij heette Klooster Sion. De boerderij is er niet meer, waar hij stond is nu een nieuwbouwwijk – wat zeg ik, de wijk is twintig jaar oud, dertig misschien. Je kon er als gezin in pension, maar soms was het alleen mijn moeder met mijn broertjes en mij, en heel soms alleen Christl, ons dienstmeisje, met ons kinderen. Je kreeg een mooie eigen huiskamer, voorzien van sanseveria's en een radio en een buffetkast en een grote tafel in het midden. Het slapen was op zolderkamertjes boven. Die hadden dunne houten wanden met een ribbel tussen de planken; het waren `kraaldelen', weet ik nu. Er zaten veel kieren in.

Ons gezin woonde in het buitenland, waardoor alles op de boerderij van Dimmendaal een bijzondere, Nederlandse lading had. Alleen al het eten dat de boerin op een groot blad binnendroeg, nadat eerst de huiskamertafel was omgetoverd in een eettafel. Bij het warme eten was alles in dekschalen ondergebracht, de andijvie, de aardappels, de karbonades; verder had je een juskom en een glazen schaal met appelmoes. Het stalen bestek heette Gero. De broodmaaltijden waren nog bijzonderder. Zacht Hollands brood, muisjes, rookvlees en boerenbonte eierdopjes waarmee Christl en wij elkaar uitentreuren fopten door elkaar lege doppen te presenteren. En karnemelk, een rare, zure drank.

Mijn moeder, die de zomers van haar jeugd ook op een boerderij had doorgebracht, kon melken. Het melken was buiten, we gingen er vaak met z'n allen heen. Een overall zoals de boer en zijn zonen – Jan en Hampie – hadden, droeg mijn moeder niet. Ik denk dat mijn vader dat niet prettig zou hebben gevonden. Maar zij ging met haar zomerrok wel stoer op een driepoot zitten en molk eigenhandig een mak koebeest leeg in een zinken emmer. Zelf had ik minder op met de praktijk van het landleven. Voor die ene keer dat ik graag wilde worden gefotografeerd in een blauwe overall, met in elke hand een emmer (wie nam de foto? Mamma?) heb ik mij jaren een beetje geschaamd. Aanstelstertje.

Zal ik vertellen hoe we tochtjes maakten, of hoe ik op de stang van Hampie's fiets zat, mijn voet tussen de spaken kreeg en een stel voortanden brak?

De tochtjes waren hoogtepunten. Het gebeurde na het eten, we smeekten boer Dimmendaal erom; het lukte wel een paar keer per vakantie. Als het zover was, werd het paard Shetta voor de platte boerenwagen gespannen. De wagen had lage opstaande randen, er kwamen jutezakken om op te zitten. En dan reden we over mulle Achterhoekse zandwegen langs andere boerderijen en door bos. Als het maar niet ging regenen! Shetta sjokte voort en liet soms een stel paardenvijgen vallen. Met dat verhaal heb ik later nog menigmaal gepoogd mijn eigen kleuters te vermaken voor het slapengaan.

Het is een plattelandsidylle ten voeten uit in mijn geheugen, zij het ook een idylle met grote gaten erin van vergeten details, gaten die, vrees ik, geen geur ooit nog kan opvullen.

In het kader van het getob hoe het verder moet met de Nederlandse landbouw was onlangs Jan Douwe van der Ploeg op de tv te zien, de `boerenprofessor'. Een verstandige man. Toch klonk er een zweem van meewarigheid in zijn stem toen hij vroeg aan een boer die als nevenbedrijf zomergasten had: vind je het niet vervelend, als ze zeggen dat je een kinderboerderij hebt? De man was even stil en gaf toen het goede antwoord. Hij kon wel ergere dingen bedenken dan een kinderboerderij, zei hij.