Ziende blind

Na de volksopstand tegen president Miloševic moet een waarheidscommissie de Servische ziel gaan reinigen. Maar hoe oprecht is de interesse voor de eigen oorlogsmisdaden?

Het gebeurde twee jaar geleden. Op een dag in april, tijdens de luchtoorlog om Kosovo, visten Servische duikers een koelwagen uit de Donau. In de met kettingen vergrendelde truck zaten vijftig mensen, bejaarden, vrouwen en kinderen. De vrouwen droegen pofbroeken die worden gedragen door Albanezen uit Kosovo. De kinderen waren bloot. De inzittenden lagen dood over elkaar heen, als lappenpoppen in een hoek gesmeten.

Het bestaan van de dodentruck bleef onbekend. De vrachtwagen werd opgeblazen, de lijken verdwenen, de documenten belandden in de versnipperaar en de mond van de onderzoeksrechter ging op slot. De toenmalige president van Joegoslavië, Slobodan Miloševic, gaf volgens ingewijden zelf de opdracht daartoe.

Drie weken geleden kwam het bedrog alsnog uit via een in misdaden gespecialiseerd blad. Twee politiegeneraals zijn inmiddels ontslagen voor hun aandeel in deze zaak. Want de tijden in Servië zijn veranderd. Slobodan Miloševic zit achter de tralies. En de generaals zijn niet langer veilig.

Ook voor de media zijn de tijden veranderd. Tien jaar lang publiceerden de Servische media nauwelijks over oorlogsmisdaden. De propagandamachine van Miloševic draaide op volle toeren en wie dat niet wilde horen, zapte door naar een Braziliaanse soap. Zolang de werkelijke wereld maar buiten de deur bleef.

Een handvol media, waaronder radiostation B92, dagblad Danas en weekblad Nin, publiceerden over activiteiten van soldaten en agenten die niet `door de beugel' konden. Maar de meeste Serviërs wilden het niet eens horen. De media hadden bovendien de grootste moeite hun boodschap naar buiten te krijgen. B92 werd gesloten. En gingen Danas en Nin naar de (staats)drukkerij, dan was, vreemd genoeg, het papier plots op.

,,De Serviërs hebben tien jaar lang van niets geweten'', zegt de gepensioneerde journalist Hari Stajner, onvermoeibaar tegenstander van het Miloševic-regime. ,,Dat is natuurlijk geen excuus'', vervolgt hij snel, ,,want de mensen die echt iets wilden weten, konden daar achter komen. In de Tweede Wereldoorlog luisterde een groep mensen tenslotte ook naar de BBC. In deze moderne tijden konden de Serviërs zich via verschillende kanalen op de hoogte stellen: via lokale radiostations, via satelliettelevisie en via internet.'' De website van B92 bijvoorbeeld, werd via internationale sluipwegen overeind gehouden.

Aan veel Serviërs was die moeite niet besteed. ,,Het was makkelijker van niets te weten'', omschrijft de analist Braca Grubacic het gedrag van de Servische bevolking sinds het aantreden van Miloševic midden jaren tachtig. Intussen deed de binnenlandse propaganda haar vuile werk. En op den duur ging de massa erin geloven.

Nu staat de koelauto met Kosovaarse lijken in alle kranten en is het onmogelijk aan de waarheid te ontkomen. De toon in de berichtgeving is nog voorzichtig, maar toch, de toon is veranderd. `Als dit is gebeurd in onze naam, wat is er dan nog meer gebeurd in onze naam?', vragen de commentatoren zich af. Na tien jaar oorlog lijkt de discussie over oorlogsmisdaden losgebroken in Servië. Lijkt want een groot deel van de bevolking denkt er nog altijd anders over.

Het is nog maar acht maanden geleden dat een volksopstand president Miloševic ten val bracht. Hij moest de macht overdragen aan Vojislav Koštunica, een nationalist in hart en nieren, maar een `zuivere' nationalist. Tegen het Servische superioriteitsgevoel van Miloševic heeft hij zich altijd gekeerd.

Zes maanden lieten de nieuwe leiders Miloševic met rust; een gevangene was hij, in zijn eigen luxueuze villa even buiten de Servische hoofdstad Belgrado. Maar op zondag 1 april werd hij in alle vroegte gearresteerd. Sindsdien slijt hij zijn dagen in een cel van de centrale gevangenis in Belgrado.

De Slager van de Balkan, Babyface Killer hij is gepakt. Maar heeft Servië daarmee zijn schuld ingelost? Waar zijn de leiders van politie en leger gebleven? Sreten Lukic, het hoofd van de Servische politie in Kosovo tijdens de oorlog, is benoemd tot staatssecretaris. Waar zijn de duizenden moordenaars, plunderaars en verkrachters uit de oorlogen om Kroatië, Bosnië en Kosovo gebleven? Kapitein Dragan, paramilitair tijdens de oorlog in Kroatië, drijft een internetcafé en een humanitaire organisatie in het centrum van Belgrado.

Worden deze mensen ooit gestraft voor hun misdaden? Met de arrestatie van Miloševic is dat `probleem' niet opgelost. In Servië moet Miloševic zich vooralsnog alleen verantwoorden voor binnenlandse misdaden – machtsmisbruik, corruptie en de verdwijning van zijn politieke opponenten. Over Miloševic' oorlogsmisdaden rept bijna niemand. Daarmee is de vraag over schuld en boete alleen maar prangender geworden.

Marsmannetjes

Er bestaat een instantie om oorlogsmisdadigers in Servië aan te klagen en te vervolgen: het tribunaal van de Verenigde Naties voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië, beter bekend als het Joegoslavië-Tribunaal. De kritiek op het tribunaal is groot in Servië. Het tribunaal zou alleen Serviërs aanklagen en zou de collectieve schuld op het Servische volk afschuiven. Het Servische volk is zich juist van geen kwaad bewust, zegt het. Het Servische volk is juist slachtoffer van de Balkan-oorlogen, meent het. Maar dat schijnt het Westen niet te begrijpen, klaagt het. Het tribunaal al helemaal niet.

Het collectieve geheugen is een raar ding. De Serviërs zijn, in hun optiek, door de eeuwen heen het slachtoffer geweest. Van alle volkeren op de Balkan hebben zij het meest geleden onder vijfhonderd jaar Turkse bezetting, tijdens de Eerste Balkanoorlog en tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Tegelijk, zeggen ze, hebben de Serviërs zich het hardst ingespannen om de Zuid-Slavische eenheid te bereiken en te bewaren. Daarvoor hebben ze de meeste mensen `geofferd'. De schuld ligt altijd bij de andere partij.

Niet alleen de Serviërs voelen zich slachtoffer; de Kroaten en de Bosnische moslims zijn naar hun eigen mening ook onevenredig zwaar getroffen. ,,Iedereen voelt zich slachtoffer, niemand heeft iets gedaan. Nee, mannetjes van Mars hebben zeker ruim tweehonderdduizend mensen omgebracht in Bosnië'', zegt Jakup Finci, voorzitter van de joodse gemeenschap in de Bosnische hoofdstad Sarajevo en pleitbezorger van een binnenkort op te richten waarheids- en verzoeningscommissie in Bosnië.

Het gebrek aan zelfreflectie werd vorige week opnieuw duidelijk. Aan de vooravond van een Belgradose conferentie over `waarheid en verantwoordelijkheid' hield het bureau Strategic Marketing een enquête onder tweeduizend Serviërs. Ze moesten onder meer antwoord geven op de (open) vraag: wie heeft de rechten van de Servische natie het best verdedigd? Op plaats één kwam de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic, op plaats twee de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic, op plaats drie de paramilitair Arkan.

De drie `beste verdedigers van de natie' zijn oorlogsmisdadigers van het zuiverste water; Mladic en Karadzic staan bovenaan de lijst van het Joegoslavië-Tribunaal. Arkan stond ook op die lijst, maar werd vorig jaar bij een criminele afrekening doodgeschoten in een Belgradose hotellobby.

Nog een paar vragen uit de enquête. Wie is verantwoordelijk voor de desintegratie van Joegoslavië, begin jaren negentig? De Kroatische nationalisten, zegt 78 procent van de ondervraagden. Waarom is Servië gebombardeerd door de NAVO? Vanwege Westerse belangen, zegt 63 procent. Kunt u een paar oorlogsmisdaden noemen, gepleegd door Serviërs? De helft van de ondervraagden wil of kan zo'n misdaad niet bedenken.

Van de ondervraagden die het bestaan van Servische oorlogsmisdaden erkennen, noemt 31 procent Srebrenica. Het stadje in het oosten van Bosnië werd in juli 1995 op brute wijze ingenomen door de Bosnisch-Servische generaal Mladic, de man die de belangen van de Servische natie het best zou hebben verdedigd. Zevenduizend moslim-mannen werden onder zijn commando afgemaakt. Ze werden doodgeschoten, doodgeslagen of keerden simpelweg nooit terug uit de heuvels rond Srebrenica.

Informeer je bij Bosnische-Serviërs naar Srebrenica, dan krijg je grofweg twee antwoorden. De ene groep noemt Srebrenica `een leugen van de moslims en hun Westerse vrienden'. Sommige Duitsers ontkennen tenslotte ook de holocaust. De andere groep erkent de gepleegde misdaden maar zegt direct: `Weten jullie wel wat de moslims ons hebben aangedaan?' Waarom, zeggen zij, praat niemand over de moord- en rooftochten van moslim-commandant Naser Oric vanuit Srebrenica? Waarom mag Naser Oric dezer dagen ongestoord een sportschool drijven in het nabijgelegen Tuzla en moet Ratko Mladic terechtstaan? Opnieuw ligt de schuld bij de andere partij.

Leugens

In het debat over waarheid, verzoening en verantwoordelijkheid is het radio- en tv-station B92 een opmerkelijke voortrekker. Het begon enkele weken een serie documentaires uit te zenden over Servië's rol in de afgelopen tien jaar. De eerste documentaire was de BBC-productie `A cry from the grave' over de val van Srebrenica. De documentaire, die in 1999 werd bekroond met de speciale juryprijs van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA), geeft een gruwelijk beeld van de val van de `veilige' VN-enclave.

Het werd B92 niet in dank afgenomen. Directeur Veran Matic werd na afloop bedreigd, zijn medewerkers werden bedolven onder een lawine van kritiek. ,,Waarom zenden jullie een documentaire uit met zoveel leugens, opgedist door de Amerikanen en de rest van die bende'', vroeg de een. ,,Waarom zeggen jullie niets over de misdaden van moslims en Kroaten tegen de Serviërs'', schreef de ander. ,,Door zulke series verspreiden jullie de haat tegen jullie eigen mensen'', meende een derde. Een kijker wilde zelfs het servies naar het tv-scherm gooien, ,,maar mijn vrouw hield me tegen''.

Toch raakte de documentaire een enkele Serviër in het hart: ,,Als dit de werkelijkheid is, dan pak ik een pistool en schiet ik me door mijn kop.''

Een andere voortrekker in de discussie is de waarheidscommissie. Althans, die commissie zou die rol moeten spelen. Maar de waarheidscommissie ligt vanaf het begin onder vuur. Daags na de oprichting, zeven weken geleden, stapten twee belangrijke leden, professor recht Vojin Dimitrijevic en historica Latinka Perovic, uit de commissie.

De professor wil het na lang aandringen nog een keer uitleggen. Hij heeft niet, zoals sommige kranten schreven, de commissie verlaten uit onvrede over de andere leden. Natuurlijk, het is op z'n zachtst gezegd ,,fout'' dat de commissie bestaat uit Serviërs en geen Albanezen, Kroaten of moslims telt. Het is ook ,,onjuist'' dat de religieuze afvaardiging uit alleen orthodoxen bestaat. De Servisch-orthodoxe kerk steunde Miloševic in het begin van zijn optreden van harte.

Dimitrijevic is opgestapt omdat ,,de commissie niet onafhankelijk van president Koštunica kan opereren, geen mandaat heeft, geen toegang heeft tot Bosnië en Kosovo, de mensen niet kan dwingen voor de commissie te verschijnen en de toegang tot de staatsarchieven hoogst onzeker is''.

Ook anderen twijfelen aan de oprechtheid van de commissie; zij zouden niet meer dan windowdressing zijn. De nationalistische president Koštunica zou alleen de Servische kant van het verhaal willen vertellen. Een waarheidscommissie is daarvoor het ideale middel. Die vertelt immers de waarheid?

Weer anderen vermoeden financiële motieven. De waarheidscommissie duidt erop dat Servië in het reine komt met zichzelf; internationale donoren zouden als beloning in hun geldbuidel tasten. Maar daar trappen de Amerikanen niet in; zij hebben samenwerking met het tribunaal en de overhandiging van Miloševic aan Den Haag als voorwaarde gesteld voor verdere financiële hulp.

De critici twijfelen niet aan het nut van een waarheidscommissie. Journalist Hari Stajner verhaalt van een Duitse vriend. ,,Hij heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en praat altijd over schuld. Je moet niet zo gek doen, zeg ik dan. Je was nog maar een kind! Dit soort lijden moet het Servische volk bespaard blijven.''

De Servische ziel moet worden gereinigd; de vernedering moet van Servië worden afgeschud; de waarheid moet onder ogen worden gezien. Het zijn de meest gehoorde argumenten voor waarheidsvinding in Servië. Pas dan kan het land opstoten in de vaart der volkeren en de weg richting `Europa' inslaan.

President Koštunica wijst intussen naar het Zuid-Afrikaanse model. Maar de verschillen tussen de succesvolle Zuid-Afrikaanse waarheidscommissie en de bekritiseerde Servische variant zijn legio. In Zuid-Afrika zaten daders en slachtoffers in één kamer; voor de slachtoffers was een grote rol weggelegd. In Zuid-Afrika ging de waarheidscommissie ook naar de plek van het misdrijf toe; dat had een belangrijk psychologisch effect.

In Servië lijkt deze opzet ver weg. Zullen Albanezen straks in één kamer zitten met hun Servische martelaren? Onwaarschijnlijk. En omgekeerd, kan een Servische waarheidscommissie naar Kosovo reizen zonder voor haar eigen leven te moeten vrezen? Ook onwaarschijnlijk.

Er is nog een probleem. Bosnië richt over enkele maanden ook een waarheidscommissie op zes jaar na het einde van de oorlog. ,,Ik vind dat de Serviërs over één nacht ijs gaan'', zegt Jakup Finci van de Bosnische waarheidscommissie. Hij pleit voor samenwerking met Servië en wellicht later ook met Kroatië, al krijgt het handjevol voorstanders van waarheidsvinding daar nog geen voet aan de grond.

Blijft samenwerking uit, dan dreigen vier verschillende waarheden te ontstaan: een Bosnische, een Kosovaarse, een Kroatische en een Servische waarheid. Zo uitzonderlijk is dat niet. Op de scholen in voormalig Joegoslavië hanteren de verschillende bevolkingsgroepen al verschillende geschiedenisboekjes. Het is dodelijk voor de nieuwe generatie in Bosnië, aldus Finci. ,,Nu leren de kinderen op school hun buren te haten.''

Haat zit diep, verzoening is een utopie. Als de Kroatische president zijn Joegoslavische collega oproept excuses te maken voor het aangedane leed tussen 1991 en 1995, zegt een Servische vriend, 35 jaar oud: ,,Hebben de Kroaten al excuses aangeboden voor het leed dat zij ons tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben aangedaan?''

En dan de Albanezen. Met de koelwagen en de vijftig lijken op de bodem van de Donau kunnen de Serviërs niet langer om de oorlogsmisdaden in Kosovo heen, zegt analist Braca Grubacic. ,,Er rest echter één vraag. Vinden ze dat ook erg?''

    • Yaël Vinckx