Zeepbellen in de wind

Ir. J. Halkema, Windmolens, feiten en fictie. Uitgave Meinema Delft, 100 blz., ISBN 90 75995 72 4, Prijs ƒ40.–

Ir. J. Beurskens en prof.dr.ir. G. van Kuik, Alles in de wind. Vragen en antwoorden over windenergie, 32 blz., Gratis te bestellen bij wind@ecn.nl

In april vorig jaar publiceerde de Haagse elektrotechnisch ingenieur Hans Halkema het boekje Windmolens, feiten en fictie waarin hij de zeepbellen van de windmolenindustrie doorprikt. Dat bracht twee voorstanders tot de uitgave van een brochure over windenergie, zodat er nu een heus debat op gang komt.

Wat zegt Halkema? Wind is energiearm wegens zijn lage soortelijke massa, veel minder dan dons, en heeft bij windkracht 8 slechts een snelheid van 62 tot 74 km/u. ``Tot overmaat van ramp is het vermogen van een windmolen evenredig met de derde macht van die snelheid, dus bij halve kracht 0,5 x 0,5 x 0,5 = twaalf procent, waardoor een groot deel van het jaar helemaal geen windstroom wordt opgewekt. Een ander zwak punt is, dat onder windkracht 4 (circa 25 km/u) en boven windkracht 8 de molen buiten bedrijf gaat. Een forse windmolen zal dus niet méér vermogen opleveren dan de motor van een middenklasse-auto of een redelijk grote motorfiets.' Daardoor is de productiefactor in Nederland – het gemiddelde vermogen in procenten van het maximale – afhankelijk van de standplaats gemiddeld 20-25 procent. Ter vergelijking: het brandstofrendement van een conventionele centrale (kolen en gas) bedraagt 44 procent, warmte/kracht-centrales presteren soms tot boven de 90 procent.

``Windmolens zijn dus maar voor éénvijfde deel van hun vermogen effectief werkzaam. Dat betekent dat er van het geïnstalleerde vermogen van de tachtig windmolens in Rijnmond van 120 megawatt slechts 24 megawatt overblijft', schrijft Halkema.

Niemand minder dan Gijs van Kuik, hoogleraar windenergie aan de Technische Universiteit Delft, erkende dit in het universiteitsblad Delft Integraal, 2001-1: ``Ik vond bij Halkema geen verkeerde cijfers, alleen verkeerde gevolgtrekkingen.' Het boek noopte hem en ir. Jos Beurskens van het Energieonderzoek Centrum Nederland om een gratis brochure uit te brengen. Deze is zojuist verschenen en begint aldus: ``Emotionele argumenten en demagogie voeren vaak de boventoon. (...) Het is tijd voor nuance. Zonder de kosten van windenergie te bagatelliseren en zonder de baten te overschatten. Die genuanceerde benadering vereist in de eerste plaats kennis van de feiten. Met dit boekje willen we die met betrekking tot een aantal hardnekkige hele en halve onwaarheden aanreiken.'

Het ware logisch geweest wanneer de auteurs, werkzaam bij twee grote onderzoekscentra op dit gebied en dus belanghebbenden, Halkema's ``verkeerde gevolgtrekkingen' weerspraken. Zij noemen die echter nergens, maar dissen in plaats daarvan een reeks `halve en hele onwaarheden' op, om te beginnen deze gotspe: ``Een betrouwbare energievoorziening is mogelijk, ook al is de wind veranderlijk. (...) Verschillen in windkracht worden gedeeltelijk uitgevlakt door de geografische spreiding van turbines. (...) Is het in de ene regio windstil, dan waait het elders. Pas wanneer het geïnstalleerde turbinevermogen méér dan grofweg 20 procent van de totale productiecapaciteit uitmaakt, zijn er aanvullende maatregelen nodig: mogelijkheden daartoe zijn de grootschalige opslag van energie en combinatie van windenergie met andere meer stuurbare bronnen van duurzame energie, zoals de Noorse waterkracht.'

Nu is in de energievoorziening de eerste eis de 99,99 procent leveringsbetrouwbaarheid. Zonder energie immers geen polderbemaling, riolering, geldautomaten en benzinepompen, kortom een combinatie van een milieuramp, een hongerwinter en een watersnood. De tweede eis is de hoeveelheid: volgens Beurskens en Van Kuik zal de energiebehoefte in 2060 ten opzichte van 2000 verdrievoudigd zijn. Aan beide eisen voldoet windenergie echter niet. Tegenover Delft Integraal 2001-2 kritiseert W.L. Kling, hoogleraar elektriciteitsvoorziening in Delft, dit zogeheten `opslaan in het net'. ``Het is geen verkeerde gedachte, maar het is te simpel geformuleerd. Stel, dat het in Jutland op een bepaald moment niet waait, dan wordt daarvoor in de plaats in de praktijk een conventionele centrale opgeregeld, tenzij men heeft afgesproken om windenergie te betrekken uit bijvoorbeeld Galicië in Spanje waar het op dat moment misschien harder waait dan verwacht. Het ligt echter meer voor de hand, om die electriciteit naar Zaragoza te leiden en ter plaatse een conventionele centrale af te regelen. `Opslaan in het net' suggereert echter een betrouwbaarheid van levering, die er niet bestaat, want het vermogen uit wind- en zonne-centrales is structureel onvoorspelbaar. (...) Met windenergie kan men fossiele delfstoffen besparen, maar conventionele systemen moeten achter de hand worden gehouden om in een gebied de balans te handhaven tussen vraag en aanbod van vermogen.'

Volgens een berekening van Beurskens & Van Kuik komt de kostprijs van één kilowattuur windstroom, geleverd door een moderne windturbine op een winderige kustlocatie, op 5 à 6 eurocent, tegenover één kilowattuur uit aardgas 3,5 eurocent. Dat geeft een verkeerde indruk: volgens deskundigen kost één kilowattuur uit kolen 2 eurocent.

Afgezien van deze centenkwestie is de waarde van windenergie op de vrije markt nul, omdat niemand wil kopen van een leverancier die zelf bepaalt wanneer hij levert, namelijk wanneer het niet te hard of te zacht waait. Niettemin stellen Beurskens en Van Kuik: ``De vraag is overigens, hoe erg het is, dat windelektriciteit niet op ieder moment van de dag beschikbaar is. In een vrije energiemarkt zal er concurrentie zijn tussen verschillende bronnen.' Inderdaad, en daarbij zal men kiezen voor de goedkoopste èn betrouwbaarste energiebron.

Kortom: Beurskens en Van Kuik schreven een gratis brochure vol `halve en hele onwaarheden' die bevestigt dat alle waar naar zijn geld is. Halkema zegt het in zijn voorwoord anders: ``Het selectief achterhouden van informatie inzake wezenlijke gegevens is niet direct liegen, maar heeft wel dezelfde intentie.'